- Briefwisseling
- Confraterniteit
- Eerbied magistratuur/overheid
- Permanente vorming
- Derdengelden/derdenrekening
- Schorsing met uitstel
De advocaat wordt vervolgd wegens een inbreuk op de deontologische regels inzake confraterniteit, een brief te hebben verstuurd aan het Hof van Beroep waarin gesteld wordt dat een confrater en diens cliënt zou liegen, inbreuken inzake het gebrek aan eerbied voor de overheden van de Orde, het niet naleven van de regelgeving inzake de permanente vorming en een inbreuk op de regelgeving inzake de derdenrekening.
De vijf tenlasteleggingen worden bewezen verklaard. De tuchtraad houdt rekening met het gegeven dat er geen tuchtrechtelijke antecedenten zijn.
De tuchtraad is van oordeel dat de sanctie van een schorsing van één maand gepast is, waarvan de tenuitvoerlegging voor het geheel uitgesteld wordt voor een termijn van drie jaar.