Ga verder naar de inhoud

Raad van State schorst beperking opvang voor personen met in­ter­na­ti­o­na­le bescherming in andere EU-lidstaat

vrijdag 31 juli 2026

Op 8 juli 2026 schorstte de Raad van State de uitvoering van de beslissing van de minister van Asiel en Migratie om verzoeken om internationale bescherming van personen, die reeds internationale bescherming genieten in een andere lidstaat van de Europese Unie, te behandelen als een “volgend verzoek”. Op basis van die kwalificatie wou de overheid de materiële opvang van deze verzoekers beperken. 

Auteur

Laurence Lambert

Jurist studiedienst
Laurence Lambert

Deel dit artikel

Mi­nis­te­ri­ë­le instructie aan Fedasil

De zaak ontstond naar aanleiding van een e-mail van 17 juni 2026 van de operationeel directeur van Fedasil aan het personeel. Daarin werd meegedeeld dat, ingevolge de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2024/1348 (Asielprocedureverordering) op 12 juni 2026, elke aanvraag om internationale bescherming die in België wordt ingediend door een persoon die reeds bescherming geniet in een andere EU-lidstaat, als een volgend verzoek moest worden beschouwd. Fedasil zou daardoor de mogelijkheid hebben om het recht op materiële hulp te beperken vanaf 15 juni 2026. 

Enkele organisaties trokken tegen die beslissing naar de Raad van State en dienden een vordering in tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

Aan­vecht­ba­re be­stuurs­han­de­ling

De Belgische Staat stelde dat er geen sprake was van een aanvechtbare beslissing, maar louter van een interpretatieve mededeling zonder bindende kracht. De Raad van State volgt dat standpunt niet.
Volgens de Raad bevat de instructie nieuwe algemene regels die Fedasil verplicht moet toepassen. De overheid stelde immers dat dergelijke verzoeken als een volgend verzoek “moeten” worden behandeld en dat de beperking van de opvang “van toepassing zal zijn” vanaf 15 juni 2026. Daarom gaat het volgens de Raad om een bestuurlijke rechtshandeling die vatbaar is voor schorsing en vernietiging. 

Volgend verzoek vs. verzoek van een reeds beschermde persoon

In het arrest onderzoekt de Raad van State vervolgens of een verzoeker die reeds internationale bescherming geniet in een andere EU-lidstaat kan worden beschouwd als een indiener van een volgend verzoek in de zin van de Asielprocedureverordening.

De Raad oordeelt prima facie dat dit niet het geval is en wijst erop dat de Europese verordening verschillende regimes voorziet voor:

  • personen die reeds internationale bescherming genieten in een andere lidstaat; en
  • personen die een werkelijk volgend verzoek indienen. 

Die onderscheiden behandeling blijkt volgens de Raad onder meer uit artikel 38 van de Asielprocedureverordening, dat verschillende ontvankelijkheidsregels bevat voor beide categorieën, en uit artikel 68 van dezelfde verordening, dat een verschillend regime inzake het recht om tijdens een beroep op het grondgebied te blijven vastlegt. Personen met bescherming in een andere lidstaat behouden dat verblijfsrecht tijdens het beroep, terwijl dat voor bepaalde volgende aanvragen niet automatisch geldt.

De Raad stelt vast dat de overheid onvoldoende verklaart waarom de Europese wetgever twee afzonderlijke regimes zou hebben uitgewerkt indien beide categorieën verzoekers identiek behandeld moesten worden.

Gevolgen voor het recht op opvang

Volgens de Raad volgt uit het onderscheid in het Europees recht dat personen die reeds bescherming genieten in een andere lidstaat niet zonder meer kunnen worden gelijkgesteld met indieners van een volgend verzoek.

Omdat zij tijdens de beroepsprocedure in beginsel een recht behouden om op het grondgebied te verblijven, beschikken zij volgens de Raad prima facie ook over een recht op de materiële hulp die noodzakelijk is om een menswaardig bestaan te leiden. De overheid kan daarom niet zomaar de opvang beperken op grond van de regeling die geldt voor volgende verzoeken. 

Dit betekent dus dat opvang niet louter kan worden geweigerd omdat iemand reeds bescherming heeft verkregen in een andere lidstaat.

Beslissing

De Raad van State schorst daarom de uitvoering van de beslissing van de minister van Asiel en Migratie die was geformaliseerd in de e-mail van Fedasil van 17 juni 2026. De schorsing is onmiddellijk uitvoerbaar. De procedure ten gronde over een eventuele vernietiging van de beslissing moet nog volgen. 

Lees hier het arrest

Ook interessant

Migratierecht
donderdag 06 augustus 2026

Oproep: deel uw ervaringen met EUAA-ambtenaren bij het CGVS

Wij ontvangen graag uw ervaringen als advocaat over de tussenkomst van EUAA-ambtenaren tijdens gehoren bij het CGVS. Die meldingen moeten toelaten mogelijke knelpunten in kaart te brengen en, waar nodig, gericht overleg te voeren met de betrokken instanties.

Meer lezen
Migratierecht
maandag 03 augustus 2026

Lijst met contactpersonen Dienst Vreemdelingenzaken geüpdatet

De lijst met contactgegevens van uw contactpersonen bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) werd geüpdatet naar de meest recente versie.

Meer lezen