Deontologie-advies Advies 496
Een door de cliënt voorgebrachte bandopname kan in aanmerking worden genomen bij de behandeling van de discussie over het ereloon, ook al was de advocaat onwetend over de geluidsopname tijdens het gesprek – het is voor een advocaat verboden zijn honoraria niet officieel te ontvangen. Een advocaat behoort zoals iedere burger zijn inkomsten aan de fiscale overheid kenbaar te maken en mag dan ook niet over niet-officiële inkomsten beschikken. Een advocaat kan bovendien niet ontkennen bepaalde geldsommen die de tegenprestatie zijn voor gepresteerde diensten of een voorschot daarop, niet te hebben ontvangen ook al zou hij deze geldsommen op een niet-correcte fiscale wijze hebben verwerkt – de financiële relatie tussen een advocaat en zijn cliënt is niet gedekt door het beroepsgeheim van de advocaat.
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
Een stafhouder vraagt of hij in het kader van de discussie tussen een cliënt en een advocaat over het ereloon van deze laatste rekening mag houden met een bandopname gemaakt door de cliënt zonder medeweten van de advocaat.
Advies
De voorliggende vraag is deels in rechte, deels kaderend in de deontologie.
Een onderzoek in rechte kan evenwel van belang zijn voor de bepaling van de positie in de deontologische aangelegenheid.
Dit is des te meer het geval nu in een dergelijke discussie de kans klein is dat er een overeenstemming bereikt wordt tussen partijen en dat de bodemdiscussie zich voor de rechtbank zal afspelen.
Wanneer de cliënt zijn bewijsmiddel door de stafhouder afgewezen ziet, zijn er omzeggens geen redenen voorhanden om een cliënt ook maar enig vertrouwen te geven in een arbitrage waar uitsluitend beroepsgenoten van deze advocaat deel van uitmaken.
In rechte heb ik u geen advies te geven maar de rechtspraak hieromtrent is oud. Het Hof van Cassatie heeft reeds in 1980 gesteld dat de rechter rekening kan en mag houden met indirect bewijs, met name met een getuige van “horen zeggen” (vgl. Cass. 25 februari 1980, Pas. 1980, I, p.768; RW 1980-81, kol. 384). Dergelijk bewijs is dan ook in beginsel ontvankelijk terwijl nergens vereist is dat deze vorm van bewijs door speciale omstandigheden moet worden verantwoord (vgl. P. Van Ommeslaghe, R.C.J.B. 1988, p. 174, nr. 252).
De rechter moet wel de betrouwbaarheid van het indirecte bewijs nagaan. Het komt mij dan ook voor dat eenzelfde beginsel van toepassing is in het kader van de discussie bij de stafhouder.
Inzake bandopnames heeft het Hof van Cassatie beslist dat dergelijke opnames een vermoeden kunnen uitmaken (Cass. 24 november 1961, Pas. 1962, p. 367; Cass. 29 oktober 1962, Pas. 1963, I, p. 272). De quasi unanieme doctrine steunt deze stelling (vgl. o.m. R. Matthys, “Geluidstechniek in burgerlijk procesrecht en strafprocesrecht”, RW 1963-64, kol. 584).
Waar een bandopname niet op zich kan worden afgewezen als bewijsmiddel in rechte, kan dit mijns inziens evenmin worden afgewezen vanuit deontologisch standpunt. Vanuit deontologisch standpunt kan niet worden voorgehouden dat het een advocaat zou geoorloofd zijn honoraria niet officieel te ontvangen. Een advocaat behoort zoals iedere burger zijn inkomsten aan de fiscale overheid kenbaar te maken en behoort dan ook niet over niet-officiële inkomsten te beschikken.
Wat meer is, een advocaat behoort afgezien wat hierboven is vermeld over de aard van de inkomsten, steeds de werkelijkheid te respecteren en deze ook te erkennen in zijn relatie met de cliënt. Een advocaat kan dan ook niet ontkennen bepaalde geldsommen die de tegenprestatie zijn voor gepresteerde diensten of een voorschot daarop niet te hebben ontvangen ook al zou hij deze geldsommen op een niet-correcte fiscale wijze hebben verwerkt.
Het komt mij dan ook voor dat een confrontatie tussen advocaat en cliënt misschien wel aangewezen is om tot een oplossing te kunnen komen.
Ik ken uiteraard de inhoud van de discussie niet, maar indien enkel de reeds gedane betalingen het voorwerp van de discussie zijn, dan kan een confrontatie van partijen misschien een oplossing brengen, zeker indien dit bij geschrifte kan worden vastgelegd naar aanleiding van deze confrontatie.
Wat de financiële relatie betreft tussen een advocaat en zijn cliënt bestaat geen beroepsgeheim. Het beroepsgeheim strekt er overigens toe de cliënt te beschermen, niet de advocaat. Redenen vanuit privacy-oogpunt om de bandopname niet in aanmerking te nemen lijken mij ook niet voorhanden te zijn, gezien we hier in hoofde van de advocaat staan voor een professionele relatie.
Ik besluit dan ook dat de door de cliënt aangebrachte bandopname kan worden in aanmerking genomen – ook vanuit deontologisch oogpunt – bij de behandeling van de discussie, ook al was de advocaat onwetend over de geluidsopname tijdens het gesprek.
Jacques Van Malleghem
Bestuurder departement deontologie