Deontologie-advies Advies 481
Bij het beoordelen van de vraag of bepaalde informatie onder het beroepsgeheim van de advocaat valt, is het van belang te weten of die informatie vernomen werd in het kader van zijn beroepsactiviteit en in zijn hoedanigheid van advocaat.
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
Op 3 februari 2014 verleende toenmalig bestuurder Edward Janssens advies met betrekking tot de vraag of de brief van mr. X (balie b) aan mr. Y (balie a) d.d. 8 maart 2010 al dan niet vertrouwelijk is en derhalve in rechte kan overgelegd worden door mr. W (balie b), die mr. Y opvolgde.
Mr. Janssens kwam tot het volgende besluit in zijn advies:
“Als besluit meen ik dat de brief van mr. X d.d. 8 maart 2010 een strikt confidentieel karakter heeft en niet in rechte kan worden voorgelegd. Het zuiveren van de tekst is mijns inziens bovendien niet mogelijk en alleszins niet opportuun.”
Ingevolge dit advies bekwam mr. W de toelating van mr. X om haar brief van 8 maart 2010 in “gezuiverde” vorm in rechte aan te wenden. De vraag uitgaande van mr. W aan mr. X is aan het departement niet voorgelegd.
De brief van 20 mei 2014 is de aldus “gezuiverde” brief van mr. X aan mr. W, waarvan men zich niet kan indenken dat de brief van mr. X spontaan aan mr. W werd geschreven.
Gemakshalve herneem ik deze brief hier:
“Volgens de gegevens van dit oud dossier kan ik U mededelen dat mevrouw S door het kantoor op de hoogte werd gehouden van de procedure die destijds werd gevoerd voor de rechtbank van koophandel te L.
Zij provisioneerde ons ook.
De opdracht tot beroep werd evenwel gegeven door de heer BS, die heeft gevraagd hem voorbehoud te verlenen voor het geval het hof van beroep het vonnis dd. 27.10.2007 zou bevestigen.
Dit schrijven richt ik U officieel.”
Bij brief d.d. 1 juli 2014 laat mr. Z (balie c) aan stafhouder C weten dat zij niet eerder kennis heeft gekregen van de brief van 20 mei 2014 en dat hij niet als officieel kan worden beschouwd omdat hij vertrouwelijke informatie bevat omtrent haar cliënte (mevrouw S). De brief van 20 mei 2014 wordt thans overgemaakt door de voormalige raadsman van mevrouw S (mr. X) aan de raadsman van de tegenpartij (mr. W).
Volgens mr. Z valt de informatie in de brief van 20 mei 2014 onbetwistbaar onder het beroepsgeheim en kan dan ook niet in de debatten worden gebracht en zeker niet door de tegenpartij om tegen haar cliënte te gebruiken.
Ook stafhouder C meent dat de brief minstens onder het beroepsgeheim valt.
Volgens stafhouder A daarentegen beantwoordt de brief van 20 mei 2014 aan het advies van het departement deontologie van de OVB, vermits:
1. toelating werd gevraagd aan de briefschrijver om haar brief te gebruiken;
2. de brief werd gezuiverd;
3. de brief geen elementen bevat die onder het beroepsgeheim vallen.
Advies
Ik verleen u volgend advies.
1.
Uit het “herschrijven” van de brief van 8 maart 2010 zou inderdaad kunnen afgeleid worden dat mr. X akkoord gaat dat de brief van 20 mei 2014 in rechte wordt voorgelegd. Bovendien sluit ze de brief af met de zin ‘Dit schrijven richt ik U officieel.’
Mr. X heeft vermoedelijk in de brief van 20 mei 2014 de volgens haar door het beroepsgeheim gedekte informatie weggelaten. De vraag rijst evenwel of hetgeen in deze brief staat effectief niet onder het beroepsgeheim valt. Ik kom hierna op terug.
2.
Vervolgens beantwoordt volgens stafhouder A de brief van 20 mei 2014 aan het advies van het departement deontologie omdat het een “gezuiverde” brief is.
Voormalig bestuurder Janssens was in het advies echter de tegengestelde mening toegedaan met betrekking tot het “zuiveren” van briefwisseling:
“Ik zal u niet verhelen dat ik geen voorstander ben van het “zuiveren” van briefwisseling van elementen die gedekt zijn door het beroepsgeheim. Een brief dient in zijn geheel te worden bekeken. Elementen uit een brief halen kan de inhoud van de brief “vervormen”.
Overigens dient in het geval van “zuivering” alleszins de schrijver van de brief zijn standpunt te geven, welke punten in de brief van 8 maart 2010 al dan niet onder het beroepsgeheim vallen. Het is mijns inziens niet opportuun dat derhalve de brief wordt gezuiverd.
Als besluit meen ik dat de brief van mr. X d.d. 8 maart 2010 een strikt confidentieel karakter heeft en niet in rechte kan worden voorgelegd. Het zuiveren van de tekst is mijns inziens bovendien niet mogelijk en alleszins niet opportuun.”
3.
Verder houdt stafhouder A voor dat de brief van 20 mei 2014 geen elementen bevat die onder het beroepsgeheim vallen.
Uit de brief van mr. Z d.d. 17 oktober 2013 (p. 2) leid ik af dat de eerste paragraaf van de brief van 20 mei 2014 thans wellicht van groot belang is in de procedure voor het hof van beroep. De precieze inhoud en of draagwijdte van deze procedure hangende voor het hof van beroep te B is aan het departement niet bekendgemaakt.
Bij het beoordelen van de vraag of bepaalde informatie onder het beroepsgeheim van de advocaat valt, is het van belang te weten of die informatie vernomen werd in het kader van zijn beroepsactiviteit en in zijn hoedanigheid van advocaat (J. STEVENS, “De praktijk van het beroepsgeheim” in E. BOYDENS (ed.), Handboek voor de advocaat-stagiair 2013-2014. Deontologie, Brussel, Orde van Vlaamse Balies, 2013, 243, nr.140.).
De informatie dat “mevrouw S door het kantoor op de hoogte werd gehouden van de procedure die destijds werd gevoerd voor de rechtbank van koophandel te L”, alsook de mededeling dat mevrouw S hen provisioneerde, kan mr. X alleen weten door haar beroepsuitoefening als advocaat op dat kantoor.
Niet onbelangrijk in deze is dat mr. X in haar brief d.d. 8 maart 2010 aan mr. Y schreef dat het kantoor X - GP raadsman was van de vennootschap G en instructies heeft gekregen eerst van mevrouw S en nadien van de heer BS. Deze partijen lijken tegen elkaar te procederen en willen aan de hand van een attest van mr. X hun stelling kracht bijzetten voor het hof van beroep.
Mijns inziens is de informatie verstrekt in de brief van mr. X d.d. 20 mei 2014 dan ook wel degelijk gedekt door het beroepsgeheim, zodat voormelde brief van 20 mei 2014 niet in rechte kan worden overgelegd
4.
Tot slot zou de vraag tot het overleggen van de brief van 8 maart 2010 (thans uitgezuiverd in de brief van 20 mei 2014) kunnen beschouwd worden als een vraag aan mr. X om te getuigen over haar professionele relatie met een oud-cliënte, met name mevrouw S. Dit kan mogelijk afgeleid worden uit volgende passage in de brief van 8 maart 2010 (p. 2):
“(…)
Uit Uw brief dien ik op te maken dat U tegen een (voormalige) cliënte van mij optreedt, namelijk tegen mevrouw S.”
Door de uitleg van mr. X zou de positie van mevrouw S kunnen verzwakt worden. Mr. X attesteert precies over de relatie tussen zichzelf en haar oud-cliënte wat gedekt is door haar beroepsgeheim, terwijl het beroepsgeheim er net toe strekt om de cliënt te beschermen.
Ik moet dan ook adviseren om de brief van 20 mei 2014 niet in rechte over te leggen.
Jacques Van Malleghem
Bestuurder departement deontologie