Deontologie-advies Advies 319
Paradox van het beroepsgeheim – een advocaat die voor zijn cliënt onderhandelt met een tegenpartij verstrekt informatie aan deze tegenpartij die niet (langer) valt onder het beroepsgeheim.
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
De probleemstelling is de volgende. Mr. X trachtte om telefonisch een dossier te bespreken met een inspecteur RWO, maar kreeg een bandje te horen waarop werd gemeld dat het telefoongesprek kan worden opgenomen. Mr. X meent dat dit een flagrante schending is van het beroepsgeheim van de advocaat en van het recht op privacy. Bovendien wordt op die manier telefonische bemiddeling onwerkbaar.
Advies
De Commissie meent dat er zich geen probleem van beroepsgeheim stelt. Gelet op de paradox van het beroepsgeheim zal de advocaat tijdens onderhandelingen of besprekingen met de tegenpartij (wat in casu de bedoeling was van mr. X) informatie van zijn cliënt dienen te openbaren. Dat maakt geen inbreuk uit op het beroepsgeheim, maar is de uitoefening zelf van het beroep van advocaat (J. STEVENS, Regels en gebruiken van de advocatuur te Antwerpen, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1997, 612, nr. 817).
Een advocaat die voor zijn cliënt onderhandelt met een tegenpartij verstrekt informatie aan deze tegenpartij. Deze informatie valt niet (langer) onder het beroepsgeheim. De advocaat deelt zijn beroepsgeheim immers niet met de tegenpartij. Wellicht gaat mr. X er verkeerdelijk van uit dat hij vertrouwelijk kan onderhandelen met de inspecteur en deze laatste daarbij zaken kan vertellen die onder het beroepsgeheim vallen.
De Commissie is niet bevoegd om te oordelen of de inspectie RWO de privacywetgeving of wetgeving over de opname van telefoongesprekken schendt, maar het lijkt haar prima facie dat dit niet het geval is en dat de inspectie RWO juist tegemoetkomt aan de privacywetgeving door op een bandje aan te kondigen dat het gesprek kan worden opgenomen. Door de voorafgaande mededeling van een mogelijke opname kan men met kennis van zaken beslissen om al dan niet
over te gaan tot een gesprek. Wanneer men niet wenst dat het gesprek zou worden opgenomen, heeft men de mogelijkheid daarvan af te zien. Het recht op privacy wordt dan ook niet geschonden. Bij de beoordeling van zijn beroepsgeheim maakt dit voor de advocaat in wezen geen verschil. Hij zou sowieso zijn beroepsgeheim schenden door geheimen prijs te geven in een gesprek met de inspecteur, of dit gesprek nu opgenomen wordt of niet.
Philippe De Jaegere
Bestuurder departement deontologie