Deontologie-advies Advies 276
In algemene termen kan een advocaat vanuit deontologisch oogpunt niet worden verboden om een studieopdracht uit te voeren in opdracht van een overheid en tegelijkertijd in rechte op te treden tegen diezelfde overheid. Slechts wanneer er concrete aanwijzingen zijn dat een mogelijkheid van schending van het beroepsgeheim bestaat, of wanneer uit de aard van de verschillende opdrachten volgt dat de advocaat zijn onafhankelijkheid niet kan waarborgen, of nog wanneer de betrokken partijen te goeder trouw een belangenconflict opwerpen, zou de advocaat kunnen worden verplicht om zich in de één of de andere zaak terug te trekken.
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
Een overheidsinstelling (OI) heeft via een algemene offerteaanvraag een studie uitgeschreven betreffende een specifiek probleem.
Eén van de inschrijvers is het advocatenkantoor X.
De OI meldt dat dit advocatenkantoor op dit ogenblik negen rechtszaken lopende heeft tegen de OI in het kader van een aanverwante problematiek. De OI stelt zich dienaangaande vragen m.b.t. de deontologische verenigbaarheid tussen enerzijds het uitvoeren van een studieopdracht voor de OI en anderzijds het optreden als advocaat tegen de OI.
Advies
Er bestaat op landelijk niveau geen enkel reglement dat specifiek handelt over dit mogelijk belangenconflict. Ook de bepalingen van de codex van de Orde van Advocaten te Gent m.b.t. strijdige belangen vinden in dit concrete geval geen toepassing. Voor de beoordeling van de gestelde vraag moet dus worden teruggegrepen naar de algemene deontologische regels.
De belangenconflicten waarmee advocaten worden geconfronteerd moeten vanuit deontologisch oogpunt worden beoordeeld met inachtneming van het beroepsgeheim, de onafhankelijkheid en de kiesheid.
1.
De advocaat dient er zich van te onthouden een zaak te aanvaarden wanneer daardoor een schending van het beroepsgeheim dreigt.
De vraag of de advocaat in kwestie door het uitvoeren van een studieopdracht toegang zal krijgen tot geheime informatie van de OI en of deze advocaat die informatie in lopende of toekomstige zaken tegen de OI zou kunnen aanwenden, is een vraag die de betrokken partijen enkel zelf kunnen beantwoorden.
Indien dit het geval is, kan geen vrede worden genomen met het antwoord van de betrokken advocaat, dat zij in dat geval haar beroepsgeheim zal respecteren. Het beroepsgeheim houdt niet enkel in dat de advocaat de geheimen waarvan hij tijdens de uitvoering van zijn opdracht kennis krijgt niet prijsgeeft. Het beroepsgeheim betekent ook dat de advocaat deze geheime informatie zelf niet mag aanwenden in andere dossiers. Zo is het niet ondenkbeeldig dat de advocaat in het kader van de studie kennis krijgt van bepaalde confidentiële gegevens, waaraan hij zijn argumentatie in de zaken tegen de OI zou kunnen aanpassen, zonder noodzakelijkerwijze deze confidentiële gegevens zelf prijs te geven. De advocaat staat op dat ogenblik voor het dilemma: ofwel het beroepsgeheim schenden en de confidentiële informatie aanwenden ten voordele van zijn andere cliënt, ofwel het beroepsgeheim eerbiedigen, maar dan de belangen van zijn andere cliënt minder goed behartigen.
2.
Dit dilemma brengt ons bij het probleem van de onafhankelijkheid. De advocaat die de belangen behartigt van partijen die, zij het in verschillende zaken, tegenstrijdige belangen hebben, kan worden geconfronteerd met een probleem van onafhankelijkheid. De advocaat dient immers partijdig te zijn en voor honderd procent de belangen van één partij te behartigen. Indien de advocaat hierin wordt belemmerd omdat hij in een andere zaak de belangen behartigt van de tegenpartij of een opdracht uitvoert voor deze tegenpartij, dan is er een probleem van onafhankelijkheid.
Een studieopdracht is niet gelijk te stellen is met het behartigen van private belangen. De studieopdracht is per definitie onpartijdig. Daarom is er op het eerste gezicht geen probleem van belangenconflict. Het is mogelijk dat de OI twijfelt aan de onpartijdigheid van het advocatenkantoor bij het uitvoeren van de studie, omdat het advocatenkantoor ook zaken behandelt tegen de OI. Indien dit het geval is, kan dit voor de OI wellicht een argument zijn om de studieopdracht niet toe te wijzen aan het advocatenkantoor, maar dit valt buiten de strikt deontologische benadering van het probleem.
Er kan een deontologisch probleem rijzen wanneer zou blijken dat het advocatenkantoor niet de nodige onafhankelijkheid aan de dag legt bij het uitvoeren van de studieopdracht, omwille van het feit dat het advocatenkantoor daarnaast zaken behandelt tegen de opdrachtgevende overheid, of nog wanneer zou blijken dat het advocatenkantoor geremd is in het behartigen van de belangen van zijn cliënten in zaken tegen het opdrachtgevende overheid, omwille van de toewijzing van de studieopdracht. Dit is evenwel niet noodzakelijk het geval.
3.
Ten slotte dient in het kader van belangenconflicten ook rekening te worden gehouden met de kiesheid. Van een advocaat wordt kiesheid verwacht, hetgeen betekent dat hij in zedelijk opzicht en in het maatschappelijk verkeer een fijngevoeligheid vertoont die zich onderscheidt van het gemiddelde. Dit houdt onder meer in dat een advocaat meer dan gemiddeld aandacht moet hebben voor de perceptie van zijn handelen door zijn cliënten en derden. Het is best mogelijk dat een advocaat zichzelf in staat acht om schijnbaar tegenstrijdige belangen te behartigen zonder schending van het beroepsgeheim en zonder zijn onafhankelijkheid te verliezen, maar dit neemt niet weg dat de betrokken partijen daar anders kunnen over denken. Voor zover deze partijen te goeder trouw zijn, dient de advocaat daar rekening mee te houden. Het betaamt niet dat een advocaat zich vastklampt aan een bepaalde opdracht, wanneer één van de betrokken partijen te goeder trouw een belangenconflict opwerpt.
4.
Toegepast op het concrete geval kan worden besloten dat in algemene termen een advocaat vanuit deontologisch oogpunt niet kan worden verboden om een studieopdracht uit te voeren in opdracht van een overheid en tegelijkertijd in rechte op te treden tegen diezelfde overheid. Slechts wanneerer concrete aanwijzingen zijn dat een mogelijkheid van schending van het beroepsgeheim bestaat, of wanneer uit de aard van de verschillende opdrachten volgt dat de advocaat zijn onafhankelijkheid niet kan waarborgen, of nog wanneer de betrokken partijen te goeder trouw een belangenconflict opwerpen, zou de advocaat kunnen worden verplicht om zich in de één of de andere zaak terug te trekken.
Philippe De Jaegere
Bestuurder departement deontologie