- Hoger beroep zoals in tuchtbeslissing
De raad van de Orde, zetelend zoals in tucht, besloot het verzoek van de advocaat-stagiair tot opname op het tableau van de Orde van advocaten uit te stellen uit te stellen met circa 8 maanden omdat de verplichtingen van artikel 25 en 35, lid 3 van de Codex Deontologie voor Advocaten en artikel 446 Ger.W. onvoldoende werden nageleefd, met name door meerdere ambtshalve gedane pro-deo aanstellingen zonder prestaties af te sluiten en langdurige “vakantieperiodes” voor prestaties voor het Bureau voor Juridische Bijstand in te tekenen, terwijl ze wel degelijk aan het werk was. Bovendien gaf de advocaat-stagiair pro deo dossiers door zonder een goedgekeurde verschoning of verhindering door het BJB.
De advocaat-stagiair betwist in hoofdorde de feiten en vraagt in ondergeschikte orde de verlenging van de stage te verminderen.
De tuchtraad van beroep brengt in herinnering dat zijn beoordelingsbevoegdheid over de bestreden beslissing krachtens artikel 432bis Ger.W. beperkt is tot een marginale toetsing, daar de bestreden beslissing behoort tot deze die in hoofde van de beslissende raad van de Orde een discretionaire bevoegdheid inhouden. Er kan daarbij wel worden nagegaan of de genomen beslissing in een redelijke verhouding staat tot het wettelijke doel van de beoordelingsbevoegdheid en of zij het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt.
Om de evenredigheid te bewaren tussen de remediëring van het ontbreken van vervulling van alle stageverplichtingen en de duur daarvoor nodig beperkt de tuchtraad van beroep de duur van de verlenging van de stage van de advocaat-stagiair met 4 maanden.