- Ereloon
- Derdengelden/derdenrekening
- Gedeeltelijke vrijspraak
- Opschorting onder voorwaarden
De advocaat wordt vervolgd wegens het eenzijdig wijzigen van de met de cliënte gemaakte ereloonafspraken vooraleer de zaak beëindigd is; aanrekening op ontvangen derdengelden, een ereloon te behouden dat niet definitief verschuldigd is, gelet op het door de tegenpartij aangetekende beroep; een procedure te voeren op naam van een andere persoon dan de opdrachtgever; een factuur te hebben opgesteld op naam van een vennootschap die met deze procedure geen uitstaan had.
De tuchtraad had, na tegenspraak, de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Deze beslissing moet in die zin gelezen worden dat de tuchtvordering ontvankelijk, de tenlasteleggingen niet bewezen en de tuchtvordering ongegrond wordt verklaard. De advocaat werd immers verwezen naar de tuchtraad ingevolge een beslissing van de stafhouder. De voorzitter van de tuchtraad heeft overeenkomstig artikel 459 Gerechtelijk Wetboek de betrokkenen enkel opgeroepen.
Tegen deze beslissing heeft de stafhouder hoger beroep aangetekend.
De tuchtraad van beroep bevestigt, op andere gronden, de bestreden beslissing in zoverre de tuchtvordering ontvankelijk werd verklaard en de advocaat werd vrijgesproken voor de laatste drie tenlasteleggingen.
De tuchtraad van beroep oordeelt anders over de eerste tenlastelegging. Ze wordt bewezen verklaard. De uitspraak wordt opgeschort gedurende een periode van één jaar mits binnen deze proefperiode geen nieuwe deontologische inbreuk wordt gepleegd.