- Mercantilisme
- Samenwerken in het kader van een vennootschap met een niet-advocaat
- Liegen tegen stafhouder
- Opvolgen instructies stafhouder
- Bedreigende e-mail
- Hoger beroep ongegrond
- Bevestiging bestreden beslissing
- Schorsing van zes maanden, waarvan drie maanden met uitstel gedurende drie jaar
De in eerste aanleg ten laste van de advocaat gelegde feiten en handelingen waren samengevat de volgende:
- het drijven van handel en nijverheid (mercantilisme) en het samenwerken in het kader van een vennootschap met een niet-advocaat (inbreuk op art. 437,3° en 455-456 Ger.W.);
- de waarheidsverplichting aan de stafhouder en het niet opvolgen van de instructies van de stafhouder (inbreuk op art. 455-456 Ger.W. en art 196 en 197 Sw.);
- het sturen van een bedreigende e-mail (inbreuk op art. 455-456 Ger.W.).
De tuchtraad van beroep stelt ook in hoger beroep vast dat:
- de bvba X geen patrimoniumvennootschap uitmaakte, zoals ter terechtzitting werd beweerd;
- de advocaat zonder twijfel commerciële en financiële belangen had in de bvba X, minstens onder de vorm van voordelen in natura (terbeschikkingstelling van wagens en van een kantoorruimte, bekostiging reizen);
- de uitleg die de advocaat verschafte tijdens zijn verhoren – naast juridisch niet steekhoudend – niet geloofwaardig was;
- de advocaat ontegensprekelijk zijn stafhouder in 2002 een rad voor de ogen draaide en, wetende dat zijn constructie deontologisch niet aanvaardbaar was, deze toch, minstens naar de geest, liet bestaan gedurende meer dan 12 jaren;
De zaakvoerder van de bvba X mag dan wel geen ‘objectieve getuige’ zijn zoals werd betoogd ter terechtzitting, maar de feiten en handelingen die hij aanvoerde worden op overtuigende wijze ondersteund door de bewijswaardige stukken die deze getuige voorlegde.
De uitleg dat de e-mail van 4 juli 2014 niet werd verstuurd als advocaat, hoewel hij vertrok van het e-mailadres van zijn kantoor, is niet overtuigend. Bovendien moet worden de vraag gesteld in welke hoedanigheid de e-mail dan wel werd gericht aan deze zaakvoerder. Indien het niet als advocaat was, onderschraagt het in ieder geval de tenlastelegging sub (1).
Het hoger beroep in essentie gericht was tegen de toemeting van de in eerste aanleg opgelegde sanctie.
De in casu ten laste gelegde feiten zijn zeer ernstig, mede door hun volgehouden karakter, niettegenstaande de advocaat er niet kon aan twijfelen dat ze deontologisch verboden waren.
Daar komt bij dat de advocaat zwaar tekort kwam aan zijn waarheidsverplichting aan de stafhouder, en ook dit op volgehouden en voortdurende wijze.
De tuchtraad van beroep acht een schorsing van zes maanden, waarvan drie maanden met uitstel gedurende drie jaar een gepaste sanctie.
Lees ook deze beslissing
TAA/STo/0258/2016: beslissing 27 oktober 2016
Onverenigbaarheden
Samenwerking niet-advocaat
Schorsing met uitstel