- Strafrechtelijke feiten
- Hoger beroep openbaar ministerie en stafhouder
- Strafmaat
- Schorsing van negen maanden, waarvan zes maanden met uitstel voor drie jaar
Over de feiten, ten laste van de advocaat gelegd, bestaat geen betwisting. De advocaat heeft een overtuigingsstuk gemanipuleerd en vervolgens aangewend in een gerechtelijke procedure.
De betwisting blijft dus beperkt tot de door de tuchtraad opgelegde sanctie.
In zijn beslissing oordeelt de tuchtraad dat de feiten aanleiding zouden geven tot het toepassen van de zwaarste straf.
Ondanks deze overweging werd aan de advocaat een schorsing opgelegd van 9 maanden, integraal met uitstel voor een termijn van drie jaar.
De tuchtraad van beroep oordeelt dat een schorsing van 9 maanden, waarvan drie maanden effectief, en 6 maanden met uitstel voor een periode van drie jaar een meer gepaste sanctionering is.
De tuchtraad van beroep neemt daarbij enerzijds de argumenten die de advocaat voor zijn verdediging heeft aangevoerd in overweging (de door hem betuigde spijt, zijn coöperatie aan het strafrechtelijk- en tuchtrechtelijk onderzoek, het feit dat hij geen vermogensrechtelijk voordeel heeft genoten en de reeds de facto ondergane schorsing t.g.v. het paleisverbod), maar verwijst anderzijds wel naar de ernst van de feiten, zoals hierboven uiteengezet.
De tuchtraad van beroep onderlijnt daarbij dat waar de advocaat aanvoert dat hij blootgesteld was aan sterke druk van zijn omgeving, dit geen excuus kan vormen voor zijn onrechtmatig handelen.
Lees ook deze beslissing