- Roerende goederen als betaalmiddel
- Procedure vereffening-verdeling
- Informatieverplichting
- WER
- Transparantie kosten en ereloon
- Fiscaal misdrijf
- Leugenachtige verklaringen
- Ereloonbetwisting
- Arbitrage
- Art. III.74 WER
- Art. VI.100 WER
- Bevoegdheid tuchtraad
- Blanco tuchtverleden
- Deels vrijspraak
- Schorsing 14 dagen
De advocaat heeft zich bepaalde goederen laten overhandigen ter betaling van zijn honoraria, terwijl hij wist dat deze goederen dienden te worden bekend gemaakt in de vereffening en verdeling. Het kan een advocaat niet ten kwade worden geduid dat hij, in dossiers dat al lopende waren voor de inwerkingtreding van artikel III.74 W.E.R., niet specifiek zijn cliënt op de hoogte brengt van de in dat wetsartikel voorziene informatieverplichtingen. Waar het uiteraard steeds aangewezen is dat de advocaat zich voldoende en tijdig laat provisioneren, kan de tuchtraad aannemen dat in een procedure van vereffening en verdeling de (minstens stilzwijgende) afspraak is gemaakt om pas om het einde af te rekenen.
De cliënt uitnodigen ter bespreking van zijn staat van kosten en ereloon met de mededeling dat indien er in dit gesprek geen minnelijk akkoord wordt bereikt, de officiële staat nog zal worden verhoogd “met nog niet aangerekende kosten en prestaties” en met de btw, zet de cliënt aan tot regeling van de ereloonstaat zonder btw, wat een fiscaal misdrijf is en bijgevolg ook een inbreuk op de algemene principes van waardigheid en rechtschapenheid die het beroep van advocaat kenmerken.
Verwijzen naar een opgelegde tarifering van de Orde om aan zijn geleverde diensten een vertrouwenslabel te willen toekennen is strijdig met artikel VI.100 Wetboek Economisch Recht.
Uitsluitend de beslagrechter en niet de tuchtraad is bevoegd om het rechtmatig karakter van het bewarend beslag onder derden te beoordelen. De tuchtraad kan enkel vaststellen dat de wettelijke voorwaarde van artikel 1445 Ger. W. vervuld is.
De advocaat koppelde zijn eventueel akkoord met arbitrage over het ereloon aan bepaalde voorwaarden. Afgezien van de inhoud van die voorwaarden – voorwerp van andere tenlasteleggingen – , kan niemand gedwongen worden om in te stemmen met arbitrage. De arbitrageprocedure is van suppletief recht en moet het voorwerp uitmaken van een specifieke overeenkomst tussen de partijen (artikel 1681 Ger. W.). De contractsvrijheid van de partijen impliceert dat de (beide) partijen de onderwerping van het geschil aan arbitrage kunnen afhankelijk stellen van welbepaalde voorwaarden. Het louter afhankelijk stellen van zijn instemming met de arbitrageprocedure van het vervullen van bepaalde voorwaarden, is geen deontologische inbreuk.
Voor de bewezen verklaarde feiten wordt een schorsing van 14 dagen opgelegd. Hij heeft zich bij die feiten zelfs over de grens van het strafrechtelijk toelaatbare begeven. Anderzijds wordt ook rekening gehouden met het blanco tuchtrechtelijk verleden en de frustratie om na 15 jaar nog niet naar behoren dreigen te worden betaald.