- Ontvankelijkheid tuchtvordering
- Geluidopnames door cliënt
- Beroepsgeheim
- Salduz
- Tuchtrecht versus strafrecht
- Borgsom
- Poging tot bekomen van ereloon op listige wijze
- Blanco tuchtverleden
- Schorsing 3 maanden met uitstel 3 jaar
Procedure
De advocaat werpt vier middelen van onontvankelijkheid van de tuchtvordering op. De tenlastelegging zou gebaseerd zijn op art. I.1.1 van de Codex Deontologie voor advocaten, dat nog niet bestond op datum van de te beoordelen feiten en gedragingen en dus niet kan worden toegepast. Doch de tuchtvordering is ook gesteund op art. 456 en 429 Ger. W. en is ontvankelijk in zover gebaseerd op art. 456 en 429 Ger. W.
De middelen van onontvankelijkheid stellen dat de tuchtvordering zou gebaseerd zijn op bandopnames en processen-verbaal die als volstrekt nietig te aanzien zijn. Nu over de ingeroepen nietigheden door geen enkele rechtsmacht uitspraak is gedaan, dient de tuchtraad zich hierover zelf uit te spreken. De tuchtraad oordeelt dat de bandopnames tot stand gekomen zijn zonder schending van enig grondrecht of enige wettelijke bepaling. De digitale geluidsopname van een consultatie, in casu door de erbij aanwezige dochter van de cliënte, maakt geen schending van het beroepsgeheim uit. De drager van het beroepsgeheim is immers enkel de beroepsbeoefenaar. De geluidsopnames zijn dus niet wederrechtelijk tot stand gekomen en dus niet nietig. Ook de erop volgende processen-verbaal zijn niet door nietigheid aangetast.
De ondervragingen waarop de tuchtvordering is gebaseerd, werden niet uitgevoerd met schending van art. 6 par. 3c EVRM en de Salduzregels. De Salduzregels werden geëerbiedigd.
De disciplinaire materie wordt volledig geregeld door het Gerechtelijk Wetboek. Tuchtrecht is geen gemilderd of ondergeschikt strafrecht en de regels van het strafrecht en de strafprocedure zijn dan ook niet van toepassing. Zelfs al zouden de regels van het strafrecht van toepassing zijn, dan nog zou een actie van een in een onderzoek betrokken partij nooit tot enige nietigheid kunnen leiden.
Ten gronde
De advocaat heeft geen enkel strafbaar feit gepleegd doch tuchtrecht is geen strafrecht. De vraag is niet of de advocaat feiten gepleegd heeft, doch wel of de advocaat als advocaat in haar relatie met de cliënten gehandeld heeft in overeenstemming met de beroepsregels en –deontologie.
De vraag is of de advocaat deontologisch correct gereageerd heeft op de vraag door de partner van de cliënt: “als ik nu 10.000 € geef, zou u mij daarmee vrij krijgen, om mij nu te lossen?”
De advocaat zou dit hebben beschouwd als een verzoek om vrij te komen op borg en ging ervan uit dat die borgsom nooit zou worden aanvaard maar wanneer het geld dan toch beschikbaar was, kon dat dienen voor haar ereloon dat nog moest vereffend worden. Zelfs als ze zou gevolgd worden in haar verweer dat zij die waan liet bestaan in de hoop dat geld zou ter beschikking komen voor betaling van een borgsom omdat dan te kunnen gebruiken ter aanzuivering van openstaande kosten en erelonen (waarvan overigens geen bewijs wordt overgelegd), dringt de vaststelling zich op dat zulk handelen strijdig is met de plicht van rechtschapenheid, waardigheid en kiesheid (art. 456 Ger. W.). Het is niet omdat de cliënten van bedenkelijk moreel allooi zijn, dat de advocaat zich tot dat niveau zou mogen verlagen door met een listige kunstgreep ereloonbetaling af te dwingen.
De advocaat heeft minstens de indruk laten bestaan dat actieve omkoping/beïnvloeding door middel van geld mogelijk was terwijl een advocaat iedere suggestie of poging in die richting onmiddellijk dient af te wijzen, gelet op de eed die men heeft afgelegd (art. 429 Ger. W.).
De advocaat, op het ogenblik van de feiten al een ervaren advocaat, had iedere schijn van medewerking aan ongeoorloofde beïnvloeding onmiddellijk de kop moeten indrukken en afblokken. Ze heeft niet gehandeld in overeenstemming met de deontologische verplichtingen en heeft hierdoor zelf veroorzaakt dat haar cliënten (in de waan verkeerden dat zij) haar konden gebruiken om het normaal verloop van een strafzaak te verstoren.
De feiten zijn ernstig. Niet alleen de advocaat maar ook de advocatuur als beroepsgroep en de magistratuur zijn erdoor in opspraak gekomen. Een principiële sanctie kan daarom niet volstaan.
De advocaat werd al zwaar gestraft door de mediastorm die over haar heen kwam en door het ondergane paleisverbod en de tuchtraad houdt ook rekening met haar smetteloos tuchtrechtelijk verleden en legt om al deze redenen een schorsing van drie maanden op, doch met volledig uitstel gedurende een proeftermijn van drie jaar.
Lees ook deze beslissing