OVB wijst op knelpunten in wetsvoorstel over verlenging van onderzoeksperiode
We hebben op vraag van de Kamercommissie Justitie advies gegeven over het wetsvoorstel dat de termijn voor het vragen van bijkomende onderzoekshandelingen wil aanpassen. Hoewel we geen fundamentele bezwaren hebben tegen de voorgestelde wijziging, stellen we ons vragen bij de effectiviteit en de motivering van het voorstel.
Het wetsvoorstel (56-0122) beoogt een verlenging van de termijn waarbinnen een inverdenkinggestelde of burgerlijke partij bijkomende onderzoekshandelingen kan vragen: van 15 naar 30 dagen vóór de verschijning in de raadkamer. Tegelijk wordt voorgesteld om dergelijke verzoeken enkel in de eerste 15 dagen van die termijn toe te laten, om misbruik te vermijden.
We hebben geen fundamentele bezwaren bij het voorstel op zich, maar zien niet hoe deze aanpassing het probleem van uitstel zal oplossen.
Bovendien betreuren we de ongefundeerde omschrijving dat ‘welstellende rechtzoekenden’ zich laten bijstaan door advocatenkantoren die gespecialiseerd zouden zijn in het misbruiken van proceduretermijnen. Zulke veralgemeningen zijn volgens ons ongepast en ongefundeerd.
Tot slot wijzen we erop dat sommige griffies vandaag al met enige soepelheid omgaan met laattijdige verzoeken, net om misbruik te vermijden. Een strikte wettelijke regeling zou die nuttige flexibiliteit tenietdoen en daardoor mogelijk contraproductief werken.
Ook interessant
Praktische zorgen bij inwerkingtreding nieuw Strafwetboek
Op 8 april 2026 treedt het nieuwe Strafwetboek in werking. We erkennen het grote belang van deze hervorming en de verbeteringen die het nieuwe wetboek met zich meebrengt.
Tegelijkertijd zijn we bezorgd over de praktische haalbaarheid van de inwerkingtreding op de geplande datum. Daarom richtten wij, samen met Avocats.be, een brief aan de minister van Justitie om daarover duidelijkheid en garanties te vragen.
En toen verbood de strafrechter advocaten te pleiten: een juridische analyse
In het Kriva Rochem-proces besliste een correctionele rechtbank na de opening van de zitting om de debatten onmiddellijk te sluiten en meteen een datum voor uitspraak vast te leggen. Geen van de partijen kreeg het woord. Volgens de rechtbank was zij voldoende ingelicht door de vooraf neergelegde schriftelijke conclusies. Deze gang van zaken roept een fundamentele procesrechtelijke vraag op: mag een strafrechter het pleidooi verbieden en beslissen zonder mondeling debat?