Jaarlijks overleg tussen OVB en DBRC
Op 7 mei 2026 vond naar jaarlijkse gewoonte een constructief overleg plaats met de Dienst van de Bestuursrechtscolleges. We spraken over het nieuwe digitale platform en de (elektronische) procesvoering, bemiddeling, de werking van de griffie en het gebruik van AI door advocaten.
Het overleg op 7 mei 2026 vond plaats tussen vertegenwoordigers van de OVB en de Dienst van de Bestuursrechtscolleges, kortweg DBRC, de organisatie die op Vlaams niveau de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb), het Handhavingscollege (HHC), de Raad voor Verkiezingsbetwistingen (R.Verkb.) en de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen (RSTVB) overkoepelt.
Het is één van de periodieke overlegmomenten tussen de OVB en de rechtsprekende instellingen in het domein van het publiekrecht. Onderstaande punten stonden op de agenda.
Digitale platform
We hebben onze eerste ervaringen uitgewisseld over het gebruik van het nieuwe digitale platform van de DBRC. Advocaten moeten sinds 30 maart 2026 in de regel digitaal procederen voor nieuwe hoofdvorderingen die vanaf die datum worden ingeleid bij de RvVb en het HHC. Omdat de eerste dossiers zich nog in een vroeg stadium bevinden, blijft een volledige evaluatie voorlopig voorbarig. Daarom werd afgesproken om eind juni en opnieuw op 1 oktober verdere ervaringen uit te wisselen.
De DBRC roept advocaten algemeen op om via zijn website kennis te nemen van de werking van het nieuwe platform. Advocaten vinden er onder meer verwijzingen naar de relevante regelgeving, een handleiding bij het platform en een opname van de meest recente DBRC Studio, een filmpje waarin de werking van het platform wordt uitgelegd.
We organiseren bij de start van het nieuwe gerechtelijk jaar ook samen een opleiding over de digitale procesvoering en de werking van het platform.
Tijdens het overleg kwamen verder de volgende aandachtspunten naar voren.
- De DBRC meldt dat vele advocaten nog niet gewend zijn om volledig digitaal te procederen. Dat blijkt uit het feit dat er nog steeds klassieke (fysieke) postadressen als woonplaatskeuze worden opgegeven, terwijl het nu vereist is om één digitale woonplaatskeuze te doen via een e-mailadres. Dat e-mailadres is best een generiek adres (bv. dbrc@naamkantoor.be), om te vermijden dat bij afwezigheid van de adreshouder (bv. bij ziekte of in verlofperiodes) niemand toegang zou hebben tot dossiers waarin dat e-mailadres als woonplaatskeuze werd opgegeven.
- De OVB merkt op dat advocaten het betreuren dat ze niet langer een ontvangstbevestiging via e-mail ontvangen wanneer ze een stuk hebben neergelegd. Ook bevat het platform geen historiek van alle neerleggingen; die verschijnen pas eenmaal de griffie de neerleggingen heeft verwerkt. De DBRC erkent dat een verdere optimalisatie van het platform zich op deze punten opdringt, maar verzoekt advocaten om ondertussen stukken niet tweemaal of meer neer te leggen, omdat dit de werklast van de griffie verhoogt. Voorlopig bestaat de oplossing erin te werken via de ontvangstbevestiging die via het platform kan worden afgedrukt na een neerlegging.
- De DBRC meldt dat het cruciaal is dat advocaten zich in de juiste hoedanigheid aanmelden via de DPA-applicatie: als advocaten zich aanmelden in de hoedanigheid van burger of in naam van het kantoor, dan zullen ze hun dossiers niet te zien krijgen. De DBRC zal ervoor ijveren bij Digitaal Vlaanderen om de inlogpagina voor advocaten meer zichtbaar te maken.
De DBRC meldt dat er nog advocaten zijn die geen gebruik maken van de rolrechtapplicatie op het platform en verkiezen om te werken met een klassieke overschrijving waarvan het bewijs wordt opgeladen. Dat verhoogt de werklast van de griffie; het is eenvoudiger en sneller om het rolrecht via de applicatie te betalen. Er is dan geen overschrijvingsbewijs meer nodig. Als er niet onmiddellijk wordt betaald, kan de advocaat gebruik maken van de generieke betalingsmodule op het platform waar advocaten of hun medewerkers in het tekstveld een gestructureerde mededeling, een dossierreferentienummer of een vrije mededeling kunnen ingeven, al naargelang er reeds documenten werden neergelegd.
Procedure en werking van de griffie
Op onze vraag verduidelijkt de DBRC dat de ervaren medewerkers op de griffie de afgelopen maanden werden ingezet om de tijdige uitrol van het nieuwe digitale platform mogelijk te maken. Dat heeft de normale werking van de griffie enigszins verstoord, maar vertragingen in de behandeling van dossiers worden nu volop weggewerkt. Daarnaast heeft ook de poststaking voor bijkomende hinder gezorgd.
De DBRC herhaalt langs zijn kant dat advocaten afstanden en verzakingen nog te vaak pas vlak vóór of op de zitting meedelen. Dossiers zijn tegen dan al bestudeerd en voorbereid. Dat leidt tot onnodig tijdverlies en een inefficiënte aanwending van kostbare middelen. De OVB wierp op dat de druk van een nakende zitting de partijen er soms toe aanzet alsnog tot een onderhandelde oplossing te komen. Bovendien antwoorden cliënten niet altijd snel. De DBRC meent dat de normale oproepingstermijn van één maand voor de zitting voldoende tijd zou moeten bieden om tijdig te communiceren over afstand of verzaking. Hij roept advocaten in elk geval op om afstanden en verzakingen zo snel mogelijk te laten weten.
Verder wijzen zowel de OVB als de DBRC op het probleem dat sommige advocaten zich ter zitting beperken tot een verwijzing naar hun geschreven stukken, terwijl ze zelf om een zitting hebben verzocht. Dat getuigt van weinig respect voor confraters én voor het rechtscollege.
Bemiddeling
De DBRC meldt het gevoel te hebben dat sommige advocaten niet met de juiste ingesteldheid namens hun cliënten deelnemen aan bemiddeling. Bemiddeling is geen ander forum om de tegenpartij te overtroeven met juridische argumenten, maar wel een methode om op basis van wederzijds begrip voor elkaars belangen te komen tot een onderhandelde oplossing. Als partijen instemmen met bemiddeling, verwacht de DBRC dat ze zich ook op korte termijn beschikbaar maken en constructief meewerken. Advocaten moeten hun cliënten behoorlijk informeren over wat bemiddeling inhoudt en hoe het werkt.
De OVB merkt op voorstander te zijn van bemiddeling. We herinneren advocaten aan artikel 444, 2e lid van het Gerechtelijk Wetboek, dat hen opdraagt minnelijke oplossingen voor geschillen in de mate van het mogelijke te bevorderen. We wezen de DBRC er wel op dat “bemiddeling in bestuurszaken”, in het bijzonder langs de zijde van besturen, niet altijd even vanzelfsprekend is. We stelden voor om op termijn een bijzondere opleiding hierover te organiseren op ons Opleidingsplatform om advocaten meer vertrouwd te maken met bemiddeling in deze materie.
Gebruik van AI door advocaten
Op onze vraag kwam ook het recente “AI-arrest” van 19 maart 2026 (RvVb 19 maart 2026, nr. A-2526-0597) ter sprake.
De DBRC merkt op dat de digitalisering van de procesvoering, in combinatie met toegankelijke AI-tools, steeds meer rechtzoekenden de indruk geeft dat de bijstand van een advocaat niet langer nodig is, met alle gevolgen van dien. Tegelijk stelt de DBRC vast dat advocaten steeds meer gebruikmaken van AI-tools. Dat is niet verboden. Wel moeten advocaten op een verantwoorde wijze met AI omspringen. De DBRC ervaart dat procedurestukken van advocaten sinds de ruimere toegankelijkheid van AI-tools steeds omvangrijker worden, maar daarom niet noodzakelijk juister of pertinenter. Al te omvangrijke procedurestukken, doorspekt met weinig of geen juridisch correcte of pertinente middelen, staan een efficiënt procedureverloop in de weg.
We merken op dat ook andere rechtscolleges deze ervaring delen. We herinneren advocaten daarom aan de AI-richtlijnen van de OVB en Avocats.be. De essentiële beginselen over de beroepsuitoefening in artikel 1 van de Codex gelden onverkort als advocaten gebruikmaken van AI-tools. Advocaten moeten AI omzichtig inzetten uit respect voor de werking van instellingen waar ze optreden, zoals de rechtbank, én uit respect voor hun confraters.
Andere topics
We wisselden ook van gedachten over de ontsluiting van het Omgevingsloket voor advocaten via een koppeling met het nieuwe digitale platform, de kennisgeving van beroepsprocedures aan vergunninghouders als toekomstige, te regulariseren ontvankelijkheidsvoorwaarde en mogelijke manieren om het aantal UDN-procedures te verminderen.
Openingszitting DBRC
Een datum om alvast in uw agenda te noteren, is donderdag 1 oktober 2026. Die dag start vanaf 17u00 de openingszitting van de DBRC.
De OVB werd vertegenwoordigd door mr. Bart De Becker, mevrouw Nele Staessens, dhr. David Candreva en dhr. Ben Claes, resp. voorzitter van de commissie publiekrecht van de OVB, directeur van het departement studiedienst en deontologie van de OVB, business developer bij DPA, en jurist op de studiedienst van de OVB.
De DBRC werd van zijn kant vertegenwoordigd door zijn eerste voorzitter Filip Van Acker, dhr. Xavier Vercaemer als hoofd van de Unit Rechtspraakondersteuning en dhr. Jonathan Versluys als hoofdgriffier.
Ter voorbereiding van dit overleg is onze commissie publiekrecht op 16 april 2026 samengekomen. We contacteerden ook verschillende advocatenkantoren die geregeld procederen voor de DBRC om ons hun eerste feedback over het nieuwe digitale platform te bezorgen. We konden ook gebruik maken van verslagen van twee advocaten die namens de commissie publiekrecht het platform bij de DBRC hebben getest voor de lancering.
Ook interessant
Advocaten verplicht om elektronisch te procederen voor RvVb en HHC
Vanaf 30 maart 2026 moeten advocaten elektronisch procederen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Handhavingscollege. Dat is het gevolg van het Digitaliseringsdecreet van 23 november 2023.
Elektronische procesvoering binnenkort ook bij het Grondwettelijk Hof
Advocaten zullen in principe vanaf 1 maart 2026 ook elektronisch stukken kunnen indienen bij het Grondwettelijk Hof via zijn nieuwe digitaal platform eProConst. Dat heeft het Hof meegedeeld tijdens een overleg met de OVB op 22 januari 2026.