Vermoeden van ouderschap bij wettelijk samenwonenden
We hebben een advies geschreven bij het wetsvoorstel om het vermoeden van vader- en meemoederschap naar analogie met het huwelijk uit te breiden naar wettelijk samenwonenden DOC56-0204). De indieners gaan zo volledig voorbij aan het feit dat de wettelijke samenwoning niet beperkt is tot seksueel-affectieve relaties.
Artikelen 315 en 325/2 van het oud Burgerlijk Wetboek regelen het vermoeden van respectievelijk vaderschap en meemoederschap ten gevolge van een huwelijk. Een kind dat geboren wordt tijdens het huwelijk of binnen 300 dagen na het einde ervan, wordt automatisch beschouwd als kind van de echtgeno(o)t(e) van de moeder.
Via de invoering van een nieuw artikel 315bis zou dit vermoeden worden gelijkgeschakeld voor wettelijk samenwonenden.
De OVB wijst op het cruciaal element dat wettelijk samenwonenden geen seksueel-affectieve relatie hoeven te onderhouden. Ook goede vrienden, verre familie, kennissen die om praktische of fiscale redenen in dezelfde woning verblijven, … kunnen ervoor opteren om wettelijk samen te wonen. Het zou dus allesbehalve logisch zijn mochten deze personen automatisch vader of meemoeder worden.
Vergelijkingen met eerdere gelijkschakelingen tussen de twee statuten, zoals het adoptierecht of het erfrecht, zijn niet relevant. Het adoptierecht betreft immers een keuze en heeft dus geen directe gevolgen voor wettelijk samenwonenden die geen seksueel-affectieve relatie hebben. De bescherming van de langstlevende via een intestaat erfrecht kan dan weer voor alle wettelijk samenwonenden gerechtvaardigd zijn.
Als de wetgever ervoor opteert om, ongeacht de opportuniteitsvraag, het onderscheid met het huwelijk te laten vervagen, dan vereist dit een meer overkoepelende aanpak.