Richtlijnen voor advocaten Wet Private Opsporing en onderzoekshandelingen
De Wet Private Opsporing (WPO) vervangt sinds haar inwerkingtreding op 16 december 2024 de verouderde wet van 19 juli 1991 ‘tot regeling van het beroep van privédetective’. Toch ontslaat dat advocaten er niet van hun deontologie en de toepasselijke wetsbepalingen na te leven wanneer ze als onderdeel van die beroepsactiviteiten onderzoekshandelingen uitvoeren.
Daarom hebben we, in samenwerking met een werkgroep, deontologische gedragslijnen uitgewerkt om advocaten houvast te bieden wanneer ze zulke handelingen uitvoeren voor hun cliënten.
Wet Private Opsporing
De wet van 18 mei 2024 ‘tot regeling van de private opsporing’ (BS 6 december 2024) (WPO) vervangt sinds haar inwerkingtreding op 16 december 2024 de wet van 19 juli 1991 ‘tot regeling van het beroep van privédetective’. De WPO biedt een omkadering voor de activiteiten van private opsporing.
Dat zijn in essentie onderzoeksactiviteiten, verricht door natuurlijke personen voor een opdrachtgever, om informatie te vergaren over andere natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel de feiten waarbij ze (on)rechtstreeks betrokken zijn, met als doelstelling om de belangen van die opdrachtgever bij een (mogelijk) conflict te vrijwaren of om verdwenen personen of verloren of gestolen goederen op te sporen (artikel 3 WPO).
Activiteiten van private opsporing vallen onder het toepassingsgebied van de WPO en moeten aan de voorwaarden van die wet voldoen, tenzij ze volgens artikel 4 WPO uitdrukkelijk niet kwalificeren als activiteiten van private opsporing. Volgens de memorie van toelichting bij de WPO strekken die voorwaarden er onder meer toe om een beter evenwicht tot stand te brengen tussen publieke opsporing door de overheid en private opsporing, en de interactie daartussen te regelen, en de privacy en grondrechten te beschermen van derden die het voorwerp zijn van activiteiten van private opsporing.
Beroepsactiviteiten advocaten uitgesloten
Waar historisch advocaten extra muros werkten, en zich beperkten tot het aanwenden in rechte van de stukken en bewijzen die door de cliënt werden aangebracht, zijn het regelgevend landschap en de bijhorende compliance-verwachtingen voor cliënten de afgelopen decennia sterk geëvolueerd en daarmee ook de invulling van het beroep van de advocaat. In dat veranderde landschap voeren ook advocaten vandaag actief onderzoeken uit naar feiten, gebeurtenissen en gedragingen.
De beroepsactiviteiten van advocaten zijn echter uitgesloten van het toepassingsgebied van de WPO (artikel 4, 1° WPO).
Bijgevolg zijn de onderzoekshandelingen die advocaten uitvoeren in het kader van hun beroepsactiviteiten niet onderworpen aan de voorwaarden van de WPO. Deze uitzondering is volgens de memorie van toelichting bij de WPO een loutere overname van artikel 1, § 2 van de wet van 19 juli 1991 (Parl.St. Kamer 2023-2024, nr. 3935/001, 15).
Volgens dat laatste artikel werden “personen [die activiteiten van private opsporing] uitsluitend uitoefenen in het kader van het beroep van [advocaat] niet als privédetectives beschouwd.”
Ook de toenmalige minister van Justitie verduidelijkte in de Senaat tijdens de bespreking van het wetsontwerp dat leidde tot de wet van 19 juli 1991 dat het “nodig [bleek]” om advocaten en enkele andere beroepsgroepen buiten het toepassingsgebied van de wet te houden, hoewel zij “uit hoofde van hun beroep een aantal onderzoekingen moeten doen.” (Parl.St. Senaat 1990-1991, nr. 1259/2, 15).
De WPO wijkt op dit punt dus niet af van de wet van 19 juli 1991, maar bevestigt dit.
Deontologische gedragslijnen
Dat gewijzigde advocatenlandschap waarin advocaten zelf onderzoekshandelingen uitvoeren, noopt tot een gepaste deontologische omkadering. Het feit dat de beroepsactiviteiten van advocaten buiten het toepassingsgebied van de WPO vallen, ontslaat hen er niet van om alle wetsbepalingen die wel op hen van toepassing zijn, alsook de deontologische beginselen in acht te nemen wanneer zij, in het kader van hun beroepsactiviteiten, onderzoekshandelingen ontplooien.
Daarom heeft de OVB, in samenwerking met een werkgroep bestaande uit advocaten van verschillende kantoren die ervaring hebben met onderzoekshandelingen, een deontologisch gedragskader uitgewerkt om advocaten houvast te bieden wanneer ze zulke handelingen wensen uit te voeren voor hun cliënten.
De onderzoekshandelingen die advocaten vandaag al uitvoeren in hun beroepspraktijk waren het uitgangspunt van de werkgroep. De werkgroep ging na hoe de Codex deontologie voor advocaten (CDA) zich tot die onderzoekshandelingen verhoudt en hoe zulke handelingen in de ons omliggende landen deontologisch omkaderd zijn.
De werkgroep overliep voorbeelden van onderzoekshandelingen die advocaten geregeld uitvoeren in het kader van hun beroepsactiviteiten.
De werkgroep meent dat de huidige deontologie richtinggevend is voor de uitoefening van deze onderzoekshandelingen, zoals dat het geval is voor alle beroepsactiviteiten van advocaten. Ook onderzoekshandelingen moeten ze dus met deskundigheid en in onafhankelijkheid uitvoeren.
Het opzet van dit deontologisch gedragskader is om advocaten bijkomend houvast te bieden in de concrete toepassing van de deontologische principes op onderzoekshandelingen gesteld in het kader van hun beroepsactiviteiten.
Lees onze deontologische gedragslijnen
1. Principe
De beroepsactiviteiten van advocaten zijn gericht op het bepalen van de rechtspositie van hun cliënten door hen juridisch advies te verlenen, zelfs buiten de context van een rechtsgeding, dan wel door hun cliënten te verdedigen, bij te staan of te vertegenwoordigen in rechte. Als onderdeel van die beroepsactiviteiten kunnen advocaten onderzoekshandelingen uitvoeren.
Toelichting
De beroepsactiviteiten van advocaten omvatten ook het stellen van onderzoekshandelingen. Er moet echter steeds een band bestaan tussen die onderzoekshandelingen en de doelstelling van de beroepsactiviteit, te weten het bepalen van de rechtspositie van hun cliënten door het verlenen van juridisch advies (zelfs buiten de context van een rechtsgeding) dan wel de verdediging en vertegenwoordiging van hun cliënten in rechte.
De WPO bevat immers wettelijke onverenigbaarheden die beletten dat advocaten activiteiten van private opsporing als afzonderlijke dienst aanbieden buiten het kader van die beroepsactiviteiten. Vergunde private onderzoekers mogen immers niet tegelijkertijd beroepsactiviteiten als advocaat ontplooien (artikel 30, 3°, c) WPO) of functies uitoefenen met een toegangsmogelijkheid tot niet-publiek toegankelijke persoonsgegevens in het bezit van publieke rechtspersonen (artikel 30, 4° WPO). Denk bijvoorbeeld aan het Rijksregister of het UBO-register, waartoe advocaten toegang hebben. De memorie van toelichting bij de WPO vult aan dat “het niet de bedoeling is dat [advocaten] eventueel als bijberoep gelijktijdig een functie in de private opsporingssector zouden vervullen.”
Afhankelijk van het dossier kunnen advocaten uiteenlopende onderzoekshandelingen uitvoeren. Bij wijze van voorbeeld: informatieverzameling en -analyse, interviews met betrokkenen of getuigen, forensisch en inhoudelijk onderzoek van elektronische gegevens zoals e-mailverkeer, chatberichten, metadata, logbestanden en andere gegevens op digitale dragers, boekenonderzoek en nazicht van financiële gegevens, onderzoeken naar aanleiding van meldingen onder de klokkenluidersregelgeving, en feitenonderzoek en achtergrondchecks in het kader van interne compliance onderzoeken en risicobeoordelingen.
2. Deontologisch gedragskader
De essentiële plichten opgesomd in artikel 1 van de Codex deontologie gelden onverkort voor de onderzoekshandelingen die advocaten uitvoeren in het kader van hun beroepsactiviteiten.
Advocaten die onderzoekshandelingen uitvoeren doen dat op deskundige wijze, met eerbied voor het beroepsgeheim, de essentiële plichten onafhankelijkheid en partijdigheid, en de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid. Ze vermijden belangenconflicten.
- Deskundigheid – Advocaten die onderzoekshandelingen uitvoeren, moeten dit steeds met de nodige technische en juridische kennis van zaken doen, en doen daartoe indien nodig beroep op gespecialiseerde bijstand. Advocaten leven de toepasselijke regels na die op de door hen gestelde onderzoekshandelingen van toepassing zijn, en adviseren indien nodig hun cliënten over de regels die op die cliënten van toepassing zijn wanneer ze aan hun advocaat gegevens verstrekken die het voorwerp zullen uitmaken van onderzoekshandelingen door de advocaat.
- Beroepsgeheim – Het beroepsgeheim van de advocaat beschermt alleen de belangen van de cliënt, niet de belangen van derden die eventueel het voorwerp uitmaken van de onderzoekshandelingen. Alleen de cliënt is de geheimgerechtigde. Dat houdt in dat het juridisch advies waarin die onderzoekshandelingen resulteren alleen bedoeld is voor de cliënt, die er vervolgens vrij over kan beschikken.
- Onafhankelijkheid en partijdigheid – Met inachtneming van de wettelijke regels en de beroeps- en gedragsregels is de advocaat steeds verplicht de belangen van de cliënt zo goed mogelijk te behartigen en die boven zijn eigen belangen of die van derden te stellen.
Bij het uitvoeren van onderzoekshandelingen moeten advocaten onafhankelijk zijn en blijven. Dat vereist dat ze vrij zijn van alle druk, in het bijzonder van de druk van de cliënt én van eigen belangen (artikel 2 CDA).
- Waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid – Advocaten respecteren deze beginselen tijdens onderzoekshandelingen in het kader van hun beroepsactiviteiten.
Zo vallen real-time observaties door advocaten (“het gade slaan en/of volgen van een persoon zonder dat deze daarvan op de hoogte is of kennis heeft van de hoedanigheid of het doel van de degene die observeert”; definitie van “observatie” in artikel 2, 11° WPO), zelfs als dat gebeurt op vraag van de cliënt in het kader van de beroepsactiviteiten van een advocaat, niet te verzoenen met de beginselen van waardigheid en kiesheid. Wanneer een advocaat twijfelt over de vraag of een door hem voorgenomen onderzoeksactiviteit strookt met die beginselen, neemt deze advocaat contact op met zijn stafhouder.
De basisbeginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid vereisen ook dat de advocaat transparant is en bij onderzoeksdaden zijn naam en hoedanigheid en zijn opdrachtgever kenbaar maakt.
- Eerbiediging van bovenstaande principes doorheen elk dossier – Advocaten eerbiedigen de bovenstaande principes bij het bijstaan van een cliënt in elk dossier. Als advocaten menen dat de bovenstaande principes dan wel het belang van hun cliënt in een concreet geval in het gedrang dreigen te komen, oordelen ze tijdig of het wenselijk is een bepaalde onderzoekshandeling niet te stellen, dan wel zich terug te trekken en indien nodig te laten vervangen door een confrater voor de behandeling van (bepaalde aspecten van) het dossier.
Daarbij zal de advocaat het principe aanhouden geen getuige te worden in de eigen zaak (“Nul n’est témoin sous la robe”).