Deontologie-advies Advies 728
Het wezenlijk gevaar voor verwarring, de onafhankelijkheid en het beroepsgeheim van de advocaat staan een cumul tussen het beroep van advocaat en dat van de juridisch consulent in de weg. Gelet op enerzijds de verwantschap tussen beide beroepen en anderzijds de verschillen (onder andere op het vlak van het beroepsgeheim), is het risico op verwarring bij cliënten omtrent de hoedanigheid waarin men optreedt, reëel.
Auteur
Merve Köse
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
Een advocaat van uw balie verzoekt u om uw goedkeuring te verlenen voor het uitoefenen van de activiteit van juridisch consulent in bijberoep. Die activiteit zou op een ander adres worden gevestigd dan haar kantooradres. Het is mij niet bekend of ze dit advies wenst uit te oefenen als natuurlijke persoon, dan wel via een rechtspersoon en of deze onderscheiden is van de rechtspersoon via dewelke ze thans gebeurlijk het beroep van advocaat beoefent.
U vraagt of de aangekondigde andere activiteit verenigbaar is met het beroep van advocaat.
Ik verleen u volgend advies.
Advies
De vraag moet vooreerst worden beoordeeld in het licht van artikel 437, eerste lid, 4° van het Gerechtelijk Wetboek, dat luidt als volgt:
“Het beroep van advocaat is onverenigbaar met alle bezoldigde betrekkingen of werkzaamheden, tenzij ze noch de onafhankelijkheid van de advocaat, noch de waardigheid van de balie in gevaar brengen.
In beginsel is het beroep van advocaat dus onverenigbaar met een bezoldigde betrekking of werkzaamheid, tenzij deze de onafhankelijkheid van de advocaat noch de waardigheid van de balie in het gedrang brengen. Dit zijn de criteria die de raad van de Orde steeds in concreto, als meester van het tableau, moet hanteren om te beoordelen of de beroepsactiviteit die de advocaat bijkomend wenst uit te oefenen, in casu dat van juridisch consulent, wel verenigbaar is met het beroep van advocaat.
Deze bepaling wordt verder geconcretiseerd in artikel 11 van de Codex Deontologie voor Advocaten, waarin wordt bepaald dat:
“De advocaat die een andere activiteit uitoefent, erop [moet] toezien dat die activiteit zijn onafhankelijkheid en beroepsgeheim in de uitoefening van het beroep van advocaat niet schendt en dat hij ieder belangenconflict vermijdt. Deze activiteit mag in geen geval het publieke vertrouwen in de advocatuur in het gedrang brengen.”
Wat de naleving van het beroepsgeheim betreft, merk ik op dat zij als juridisch consulent niet gebonden is door het specifieke beroepsgeheim van de advocaat, dat de openbare orde raakt.
Dat zij als juridisch consulent geen beroepsgeheim heeft, betekent evenwel niet dat zij de informatie die zij in die hoedanigheid verneemt, kan aanwenden in advocatendossiers. Dit strookt niet met de integriteitswaarden.
Hetzelfde geldt ook omgekeerd. De advocaat kan informatie die zij in haar hoedanigheid van advocaat verneemt, niet gebruiken in haar werkzaamheden als juridisch consulent.
De onafhankelijkheid vereist verder dat de advocaat vrij van alle druk moet kunnen optreden, in het bijzonder van de druk van eigen belangen of van beïnvloeding van buitenaf (artikel 2 van de Codex). Niet alleen een schending van de onafhankelijkheid als advocaat is uit den boze, maar zelfs de schijn of de perceptie van een gebrek aan onafhankelijkheid die zou kunnen bestaan bij de cliënt, volstaat om desgevallend een activiteit te verbieden.
Dit brengt mij bij het risico op verwarringsgevaar en de bijzondere vertrouwenspositie die de advocaat bekleedt, zeker ten aanzien van zijn cliënteel. Er bestaat minstens een wezenlijke dreiging dat het cliënteel, dat van de confrater in haar andere activiteit juridisch advies ontvangt, dit advies aanziet als een advies van hun raadsman, hun vertrouwenspersoon bij uitstek, terwijl de juridisch consulent dat niet is.
Het is niet duidelijk of de materies die ze momenteel als advocaat behandelt enigszins verwant zijn aan de materies waarmee ze als juridisch consulent zou worden geconfronteerd. Het uitoefenen van een andere activiteit naast het beroep van advocaat vereist echter een strikte scheiding tussen beide werkzaamheden (bv. op het vlak van communicatie, locatie, archivering, informatica, …), net ook om ieder verwarringsgevaar te voorkomen.
Voor de cliënt moet het altijd duidelijk zijn in welke hoedanigheid zijn adviseur of raadsman optreedt.
Het komt mij derhalve voor dat hieraan niet kan worden voldaan, omdat de voornaamste taken van de juridisch consulent ook tot de kerntaken van de advocaat behoren, in het bijzonder het verlenen van juridisch advies. Bovendien is het ook verwarrend voor het huidige cliëntenbestand, nu zij voorheen door meester X als advocaat werden bijgestaan en nu mogelijk ook in de hoedanigheid van juridisch consulent, terwijl ze bovendien nog steeds advocaat is.
Ik besluit dat het wezenlijk gevaar voor verwarring, de onafhankelijkheid en het beroepsgeheim van de advocaat een cumul tussen het beroep van advocaat en dat van de juridisch consulent in de weg staan. Gelet op enerzijds de verwantschap tussen beide beroepen en anderzijds de verschillen (onder andere op het vlak van het beroepsgeheim), is het risico op verwarring bij cliënten omtrent de hoedanigheid waarin mr. X optreedt, reëel.
Er is dan ook minstens een wezenlijke dreiging dat het publieke vertrouwen in de advocatuur wordt aangetast. Het gelijktijdig uitoefenen van beide beroepen lijkt mij dan ook onverenigbaar.
Jan Meerts
Bestuurder deontologie, tucht en regulering