Deontologie-advies Advies 725
De ere-advocaat moet tegenover cliënteel dat hem nog om advies zou verzoeken duidelijk maken dat hij niet meer als advocaat optreedt. Hij mag daarover geen verwarring scheppen. Gelet op het pleitmonopolie zal de ere-advocaat geen bijstand kunnen verlenen tijdens een gerechtelijke expertise. Hij kan dat daarentegen wel gedurende een minnelijke expertise.
Als een ere-advocaat een andere advocaat verzoekt om een provisie te storten op zijn ‘derdenrekening’, zou hij de indruk kunnen wekken op te treden in de hoedanigheid van advocaat. Nu een ere-advocaat geen ‘derdenrekening’ kan openen, en de gelden die daar op gestort worden dus tot zijn eigen vermogen behoren, kan een advocaat niet rechtstreeks transactioneren met een ere-advocaat die de tegenpartij bijstaat in de hoedanigheid van juridisch consulent, en zal hij de provisie moeten storten op de rekening van de tegenpartij.
Hetzelfde geldt op het vlak van briefwisseling. Een advocaat mag de ere-advocaat die de tegenpartij bijstaat als juridisch consulent niet aanschrijven, maar zal zijn brief rechtstreeks tot de tegenpartij moeten richten. Anders zou er verwarring ontstaan over de hoedanigheid waarin de ere-advocaat de tegenpartij bijstaat.
Auteur
Merve Köse
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
Mr. X heeft de balie verlaten sinds 1 juli 2022 en heeft vanwege de raad van de Orde het statuut van ere-advocaat verworven. Blijkbaar heeft mr. X de statuten van zijn advocatenvennootschap laten aanpassen en is hij nu werkzaam als bestuurder van de BV Juridisch Adviesbureau X.
Het is zijn bedoeling om personen die hij jarenlang heeft bijgestaan, en die hem uitdrukkelijk vragen om dit verder te doen, effectief te kunnen begeleiden. Hij zou dit doen als juridisch consulent waarbij het voor zich spreekt dat, als er geen minnelijke regeling mogelijk is, hij die klanten zal moeten doorverwijzen naar een advocaat.
In het kader van een concreet minnelijk geschil verzocht hij op 13 augustus 2022 aan mr. Y om over te gaan tot betaling van een aanvullende provisie op zijn “derdenrekening”.
U vraagt of een ere-advocaat titularis kan zijn van een derdenrekening.
Ik verleen u het volgende advies.
Advies
Artikel 436 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de raad van de Orde doctors in de rechten die ten minste tien jaar op het tableau van de Orde ingeschreven zijn geweest en het beroep van advocaat niet meer uitoefenen, kan machtigen om de titel van ere-advocaat te voeren. Deze oudere bepaling werd nog niet geactualiseerd, doch het betreft wel degelijk iedere gediplomeerde jurist die 10 jaar op het tableau van een Orde heeft gestaan.
In het verlengde daarvan bepaalt artikel 65 van de Codex Deontologie dat de advocaat die gemachtigd werd de titel van ere-advocaat te dragen, zich ertoe verbindt om elke verwarring te voorkomen tussen de titel van ere-advocaat en die van tableauadvocaat.
Gezien het de lokale orde is die de titel van ere-advocaat verleent aan gewezen advocaten van haar balie, kan de lokale balie over deze materie ook een eigen reglement aanhouden, waarin voorwaarden worden opgenomen die nageleefd moeten worden door de ere-advocaat (artikel 436, lid 3 Ger.W.).
U zal dus moeten nagaan of er in uw balie een lokaal reglement het statuut van de ere-advocaat verder regelt en bepaalde voorwaarden oplegt.
Een heikel punt betreft de adviesverlening.
Traditioneel werd aangenomen dat de ere-advocaat geen verder advies verleent, al zeker niet aan het cliënteel van zijn voormalig advocatenkantoor. Hij mag immers geen verwarring stichten en het moet voor de gewezen cliënten duidelijk zijn dat de vroegere raadsman geen advocaat meer is.
De vraag is of dit strenge standpunt gehandhaafd kan blijven, mede gelet op de uitbreiding van de perimeter van het beroep van advocaat. Zo rijst de vraag of het proportioneel is om aan ere-advocaten verregaande beperkingen op te leggen, onder meer inzake adviesverlening. Cruciaal daarbij blijft dat de ere-advocaat ten aanzien van het gewezen cliënteel, dat hem nog om advies zou verzoeken, grote duidelijkheid schept en geen verwarring doet ontstaan over de hoedanigheid waarin hij optreedt. Hij heeft ook geen mandaat ad litem meer.
Voor zover het de bijstand betreft tijdens een gerechtsexpertise, die bevolen werd door een rechtbank, zal de ere-advocaat derhalve geen bijstand kunnen verlenen gelet op het pleitmonopolie.
Wanneer het een minnelijke expertise betreft, kan men zich uiteraard laten bijstaan door een persoon naar keuze, gezien de advocaat aldaar niet over een monopolie beschikt.
Wanneer de heer X verzoekt om de provisie te storten op zijn ‘derdenrekening’, zou hij wel de indruk kunnen wekken op te treden in de hoedanigheid van advocaat, zeker omdat hij in het verleden in die zaak als advocaat is opgetreden. Het lijkt er op dat hij zich impliciet op artikel 133, vierde lid van de Codex Deontologie baseert, dat bepaalt dat de advocaat gelden die hij ontvangt met oog op doorbetaling aan een andere advocaat, uitsluitend overmaakt door ze over te schrijven op de derdenrekening die de andere advocaat hem meedeelt.
Bovendien heeft deze zogenaamde derdenrekening van de ere-advocaat niet hetzelfde karakter als de wettelijk geregelde derdenrekening van een advocaat (artikel 446quater e.v. Ger.W.). Het betreft geen ‘derdenrekening’, gezien de gelden op die rekening toebehoren aan het patrimonium (eigen vermogen) van de ere-advocaat, met alle gevolgen hieraan verbonden (zie o.m. inzake de beslagbaarheid ervan).
Mr. Y zou aldus – indien hij zou overgaan tot betaling van de provisie – de betaling moeten doen
op de rekening die de ‘cliënt’ van de heer X hem meedeelt.
Volledigheidshalve deel ik u ook mee dat aangezien de heer X niet langer optreedt in de hoedanigheid van advocaat, hij ook niet meer onder de toepassing van artikel 102 van de Codex Deontologie valt dat bepaalt dat de advocaat met betrekking tot een bepaalde zaak geen rechtstreeks contact mag hebben met een partij, van wie hij weet dat ze in die zaak wordt bijgestaan door een advocaat.
Mr. Y dient dan ook de ‘cliënt’ van de heer X rechtstreeks aan te schrijven en niet langer de heer X. Het tegenovergestelde zou immers eveneens verwarring creëren.
Hoewel de heer X als ere-advocaat in de zin van punt 2.2 gebeurlijk voor zijn ‘cliënt’ als juridisch consulent zou kunnen optreden, mits hij daarover zeer duidelijk is geweest, kan hij in die hoedanigheid niet rechtstreeks corresponderen en transactioneren namens die ‘cliënt’ met mr. Y, die zich tot de partij zelf zal blijven richten.
Jan Meerts
Bestuurder deontologie, tucht en regulering