Deontologie-advies Advies 489
1. De artikelen 2 en 3 van het OVB-reglement van 22 januari 2003 inzake beroepsmatige samenwerking met niet-advocaten werden vernietigd door het Hof van Cassatie. Dit betekent dat in principe een samenwerkingsverband met niet-advocaten wel mogelijk is, op voorwaarde dat de vereisten van artikel 1 van het reglement nageleefd worden.
2. De bepaling in de overeenkomst “bij voorkeur te werken in onderaanneming” kan de toets van de onafhankelijkheid niet doorstaan - de onafhankelijkheid brengt tevens met zich mee dat de advocaat en de niet-advocaat onder geen enkele vorm erelonen kunnen delen.
3. De clausule “Zij zijn elk gehouden tot strikte confidentialiteit met betrekking tot alle dossiers waarin wordt samengewerkt.” volstaat niet. Ook binnen de “samenwerking” moet er voorzien zijn dat niet-advocaten geen toegang hebben tot vertrouwelijke gegevens en vertrouwelijke briefwisseling tussen advocaten of met anderen. De advocaat moet er ook op toezien dat de niet-advocaat bij cliënten de indruk wekt dat hij mee zou genieten van het beroepsgeheim van de advocaat.
Auteur
Dominique Dombret
Auteur
Merve Köse
Vraag
Een stafhouder vraagt advies over de geoorloofdheid van een samenwerkingsovereenkomst tussen advocaten en niet-advocaten. Meer bepaald overweegt het advocatenkantoor X een samenwerking met een aantal juridische consultants om gezamenlijk te kunnen inschrijven op overheidsopdrachten onder de naam ‘Z’.
In eerste instantie wenst X samen te werken met BVBA Y. X vraagt advies over het ontwerp van overeenkomst met Y
Advies
1.
Zoals u weet was het volgens artikel 2 van het OVB-reglement van 22 januari 2003 inzake beroepsmatige samenwerking met niet-advocaten, advocaten niet toegelaten om een groep of samenwerkingsverband te vormen met niet-advocaten met het oog op een beroepsmatige samenwerking. Artikel 3 van dit reglement omschreef vermoedens van het bestaan van een niet-toegelaten groep of samenwerkingsverband.
Beide artikelen werden vernietigd door het Hof van Cassatie bij arrest van 25 september 2003.
Dit betekent dat in principe dergelijke samenwerking wel mogelijk is, op voorwaarde dat de vereisten van artikel 1 van het reglement van 22 januari 2003 worden nageleefd. Artikel 1 luidt als volgt:
“De advocaat dient in zijn beroepsmatige samenwerking met niet-advocaten zijn onafhankelijkheid, zijn partijdigheid en de bescherming van zijn beroepsgeheim te verzekeren en elk mogelijk belangenconflict te vermijden.”
De voorliggende ontwerpovereenkomst moet aldus getoetst worden aan onder meer deze kernwaarden.
1) Uit de tekst van de ontwerpovereenkomst blijkt dat het gaat om een regelmatige samenwerking tussen de advocaat en de niet-advocaat:
“Partijen werken regelmatig in multidisciplinaire projecten. Waar zij allen een gelijkwaardig kwaliteitsniveau beogen, wensen zij in de toekomst in welbepaalde multidisciplinaire projecten samen te werken onder een gemeenschappelijke naam ‘Z’.”
“Partijen nemen een inspanningsverbintenis op zich om, waar mogelijk, samen te werken in multidisciplinaire projecten.”
“Per project wordt een nieuwe overeenkomst gesloten terzake de tarieven, het contingent en de verdeling van de prestaties en de inkomsten tussen partijen.”
“Per multidisciplinair project spreken partijen de tarieven af die aan elkaar of, bij uitzondering, gemeenschappelijk worden aangerekend.”
Het gaat aldus niet om een samenwerkingsverband. Dit veronderstelt immers een duurzame samenwerking. Het voeren van een gemeenschappelijke naam (‘Z’) schept de indruk van een zekere duurzaamheid en is dan ook misleidend en mogelijks in strijd met de WMPC.
2) Zoals hierboven uiteengezet, is één van de kernwaarden van de advocatuur de onafhankelijkheid. Artikel 2, al. 2 en 3 kan deze toets niet doorstaan, daar waar sprake is van bij voorkeur te werken in onderaanneming:
“Bij voorkeur werken partijen in onderaannemer van die partij die het multidisciplinair project heeft aangeleverd. Tenzij partijen anders overeenkomen, wordt de projectleider geleverd door de partij die het multidisciplinaire project heeft aangeleverd. In geval van een overheidsopdracht, wordt tussen partijen project per project, afgesproken wie als projectleider optreedt.
Indien het om een multidisciplinair project gaat dat via overheidsopdrachten wordt aanbesteed, wordt bij de verdeling van de vergoeding rekening gehouden met de extra kosten die het projectleiderschap oplevert.”
Deze bepaling kan mogelijk ook inhouden dat de projectleider die geen advocaat is, kennis zou kunnen nemen van zaken die normaliter onder het beroepsgeheim van de advocaat vallen.
3) De onafhankelijkheid brengt tevens met zich mee dat de advocaat en de niet-advocaat onder geen enkele vorm erelonen kunnen delen. Volgende clausules van de ontwerpovereenkomst zijn hiermee in strijd:
Artikel 2, al. 3:
“Indien het om een multidisciplinair project gaat dat via overheidsopdrachten wordt aanbesteed, wordt bij de verdeling van de vergoeding rekening gehouden met de extra kosten die het projectleiderschap oplevert.”
Het verbod van dichotomie geldt mijns inziens niet voor de kosten. Derhalve komt het mij voor dat bovenstaand artikel dan geldig zou zijn.
Artikel 2, al. 4:
“Per project wordt een nieuwe overeenkomst gesloten terzake de tarieven, het contingent en de verdeling van de prestaties en de inkomsten tussen partijen.”
Hier kan er wel degelijk een probleem zijn van dichotomie. Het verdelen van het ereloon tussen een advocaat en een niet-advocaat gaat in tegen de goede zeden. Een dergelijke overeenkomst is derhalve nietig. (R. DEKKERS en A. VERBEKE, Handboek burgerlijk recht. Deel III Verbintenissen, bewijsleer en gebruikelijke contracten, Antwerpen, Intersentia, 2007, 44, nr. 74-75.)
Artikel 4:
“Per multidisciplinair project spreken partijen de tarieven af die aan elkaar of, bij uitzondering, gemeenschappelijk worden aangerekend.”
Ook hier geldt het probleem van dichotomie zoals hierboven beschreven.
4) Artikel 5 van de ontwerpovereenkomst luidt als volgt:
“Elke partij heeft op elk ogenblik het recht om uit de samenwerking te stappen.”
Voor de duidelijkheid zou misschien hier volgende verplichting die op de advocaat rust moeten worden toegevoegd:
“Elke partij heeft op elk ogenblik het recht om uit de samenwerking te stappen. De advocaat moet elke samenwerking stopzetten wanneer zijn deontologie wordt geschonden door een partner.”
5) De ontwerpovereenkomst bevat geen enkele bepaling over het beroepsgeheim van de advocaat. De clausule “Zij zijn elk gehouden tot strikte confidentialiteit met betrekking tot alle dossiers waarin wordt samengewerkt.” volstaat niet. Ook binnen de “samenwerking” moet er voorzien zijn dat niet-advocaten geen toegang hebben tot vertrouwelijke gegevens en vertrouwelijke briefwisseling tussen advocaten of met anderen. De advocaat moet er ook op toezien dat de niet-advocaat bij cliënten de indruk wekt dat hij mee zou genieten van het beroepsgeheim van de advocaat.
6) Het is niet erg duidelijk wat in artikel 3 bedoeld wordt met de zin “Er wordt niet overgegaan tot een conflict of interest ten opzichte van elkaars respectievelijke cliënten.”
2.
Tot slot merk ik op dat het ontwerpreglement betreffende samenwerkingsverbanden met advocaten en betreffende eenpersoonsvennootschappen aan de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies werd voorgelegd. De nieuwe algemene vergadering zal wellicht in het najaar amendementen kunnen indienen.
In de ontwerptekst zoals die nu voorligt – maar zoals u weet, kan die nog helemaal wijzigen ingevolge amendering – worden de occasionele samenwerking en de tijdelijke vereniging tussen advocaten en niet-advocaten geregeld (artikelen 8 en 9), alsook de multidisciplinaire groeperingen en netwerken tussen advocaten en niet-advocaten (artikelen 10 en 11). De geïntegreerde multidisciplinaire samenwerking wordt verboden (artikel 12).
Omdat in casu in de ontwerpovereenkomst een occasionele samenwerking aan de orde is en bij uitzondering een tijdelijke vereniging (artikel 2, in fine van de ontwerpovereenkomst), vermeld ik hieronder ter info de betreffende artikelen van het ontwerpreglement, onder voorbehoud van wijziging.
“Artikel 8 –Occasionele samenwerking
8.1. Een advocaat mag occasioneel, in een aangelegenheid die hij voor een cliënt behandelt, met het akkoord van die cliënt met een niet-advocaat samenwerken.
8.2. De advocaat rekent zijn kosten en prestaties rechtstreeks aan de cliënt aan, tenzij alle betrokkenen akkoord gaan om hiervan af te wijken.
8.3. De advocaat mag de niet-advocaat noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks vergoeden voor het doorverwijzen of aanbrengen van cliënten, noch daarvoor een vergoeding van de niet-advocaat ontvangen.
8.4. Elk exclusiviteitsbeding tussen een advocaat en een niet-advocaat met betrekking tot multidisciplinaire samenwerking is verboden.
8.5. De advocaat wijst de cliënt erop dat de niet-advocaat niet onderworpen is aan het beroepsgeheim van de advocaten noch aan dezelfde voorschriften van onafhankelijkheid en partijdigheid en het verbod om tegenstrijdige belangen te verdedigen.
8.6. De advocaat en de niet-advocaat voeren geen gemeenschappelijke beroepsnaam of logo.
8.7. Een advocaat mag niet gedogen dat gesuggereerd of beweerd wordt dat hij deel uitmaakt van een niet toegelaten groep of samenwerkingsverband en dient hierop adequaat te reageren.
Artikel 9 – Tijdelijke vereniging tussen advocaten en niet-advocaten
9.1. Een advocaat kan zich tijdelijk verenigen met een niet-advocaat om voor een bepaalde cliënt en met akkoord van deze cliënt in samenwerking diensten te verlenen voor een welbepaalde opdracht.
9.2. De bepalingen van artikel 8 gelden voor de samenwerking die in het kader van deze tijdelijke vereniging tot stand komt.”
Edward Janssens
Bestuurder departement deontologie