Deontologie-advies Advies 296
Eens een advocaat in zijn hoedanigheid van deskundige in het bezit komt van de dossiers, spreekt het voor zich dat hij gehouden is de vertrouwelijkheid en desgevallend het beroepsgeheim te respecteren. Het is trouwens om die specifieke reden dat de rechtbank een advocaat als deskundige heeft aangesteld.
Het is evenwel niet die deskundige, maar wel de raadslieden van de vennootschap die zullen oordelen welke stukken zij aan de deskundige zullen overmaken. Zij zullen dit in eer en geweten doen, rekening houdende met hun beroepsgeheim en met het mandaat dat zij ontvangen van hun cliënt.
Auteur
Dominique Dombret
Auteur
Merve Köse
Vraag
Een stafhouder vraagt mijn advies in de volgende zaak.
X, Y en Z waren tot 16 juni 2004 aandeelhouder van de BVBA.
Op 16 juni 2004 sloten zij een overeenkomst af waarbij X zijn aandelen overdroeg aan Y en Z. In artikel 5 van deze overeenkomst wordt gemeld dat de vennootschap nog betrokken is in een aantal betwistingen, waarvan een limitatieve lijst (het zijn er blijkbaar zeventien) wordt gevoegd bij de overeenkomst. Er wordt overeengekomen dat er alsnog een verrekening van de waarde van de overgedragen aandelen zal gebeuren aan de hand van het resultaat van deze betwistingen.
Het artikel 5 bepaalt o.m. ook:
"De partijen komen overeen dat de vennootschap jaarlijks en voor de eerste maal op 15.07.2005 een overzicht ter beschikking zal stellen van de verkoper opdat deze zich een beeld zou kunnen vormen van de evolutie van boven vernoemde dossiers. De verkoper verkrijgt een inzagerecht in deze dossiers, na voorafgaandelijke contactname met de kopers en de raadsman van de vennootschap en met uitdrukkelijke eerbiediging van het vertrouwelijk karakter. De inzage zelf zal kunnen plaatsvinden bij de raadsman dewelke het specifieke dossier behandelt."
Verder bepaalt artikel 5 tevens:
"Ieder jaar op 15 juli zal een balans worden opgemaakt van de kosten en de baten van ieder definitief afgehandeld dossier."
Omtrent de uitvoering van deze bepaling wordt een procedure gevoerd voor een rechtbank van eerste aanleg die een uitspraak heeft geveld. Uit dit vonnis blijkt dat de nieuwe eigenaars van de vennootschap aanvankelijk weigerden informatie te geven over de zeventien dossiers en ten slotte enkel zeer algemene gegevens verstrekten, met name het totaal van de opbrengst (of verlies), het totaal van de kosten en het saldo.
Ook blijkt uit het vonnis dat de verkoper van de aandelen zich via zijn raadsman wendde tot de raadsman van de vennootschap, mr. A om inzage te krijgen in de dossiers, zoals overeengekomen in voormeld artikel 5, maar dat mr. A liet weten dat hij zonder uitdrukkelijk mandaat van zijn cliënte, te weten de vennootschap, niet kon ingaan op dit verzoek.
In het vonnis worden de nieuwe aandeelhouders van de vennootschap veroordeeld om binnen 14 dagen na de betekening een overzicht te geven van de stand van zaken in de zeventien dossiers en een gedetailleerd overzicht van de baten en de kosten in de afgehandelde dossiers.
Zij worden tevens veroordeeld om het nodige te doen opdat binnen 14 dagen na de betekening van het tussen te komen vonnis het uitdrukkelijk mandaat van de BVBA tot inzage in hoger vermelde dossiers in het bezit zou zijn van de advocaten die deze dossiers behandelen.
Aan deze beide veroordelingen is een dwangsom gekoppeld van € 500 per dag.
Verder stelt de rechtbank mr. B aan als deskundige. Mr. B krijgt de opdracht om inzage te nemen in de zeventien dossiers, om na te gaan of de informatie die werd verstrekt door de aandeelhouders correct is en om na te gaan of de afrekeningen van de kosten en baten van de definitief afgehandelde dossiers correct zijn.
Advies
1.
Stelt zich in de eerste plaats het probleem van het beroepsgeheim.
Mr. A heeft zich mijns inziens terecht beroepen op zijn beroepsgeheim ten aanzien van de raadsman van de verkoper van de aandelen. Weliswaar moet worden vastgesteld dat mr. A daar blijkbaar heeft aan toegevoegd dat hij niet kon ingaan tot het verzoek tot inzage "zonder uitdrukkelijk mandaat van zijn cliënt". In principe kan de cliënt zijn advocaat niet ontslaan van het beroepsgeheim, maar in de gegeven context, met name het bestaan van een overeenkomst tussen de aandeelhouders van de BVBA (cliënte van mr. A), lijkt het mij dat de raadsman van de vennootschap zijn beroepsgeheim niet schendt wanneer hij, met het akkoord van zijn cliënte, inzage geeft in de essentiële gegevens van het dossier, met name deze informatie of stukken die de in de overeenkomst betrokken partijen moeten toelaten op basis van correcte gegevens uitvoering te geven aan de overeenkomst.
Terloops wijs ik erop dat mr. A en de andere raadslieden van de vennootschap in eer en geweten zullen moeten oordelen welke inlichtingen en welke stukken uit het dossier zij kunnen prijsgeven, zonder schending van het beroepsgeheim. De beginselen van waardigheid en rechtschapenheid vereisen evenwel ook dat zij daarbij de partij die inzage bekomt niet misleiden.
Dat mr. A deze inzage niet geeft, zolang hij daartoe geen uitdrukkelijk mandaat heeft van zijn cliënt, de BVBA, is geheel terecht. Het is niet aan mr. A om zelf te oordelen of de verkoper van de aandelen recht heeft op inzage.
Ondertussen werden de kopers van de aandelen veroordeeld om, als enige aandeelhouder van de BVBA, ervoor te zorgen dat mr. A en de andere betrokken raadslieden een mandaat zouden krijgen van de vennootschap om deze inzage te realiseren.
Ik stel ook vast dat het vonnis werd betekend en uit de gegevens die u mij overmaakt, kan ik niet afleiden of tegen het vonnis hoger beroep werd aangetekend.
Indien er geen hoger beroep werd aangetekend, dan loopt in elk geval de dwangsom van € 500 per dag.
2.
U stelt ook vragen bij de opdracht van de door de rechtbank aangestelde deskundige, die een advocaat is van uw balie.
Zoals blijkt uit het vonnis heeft de rechtbank een advocaat als deskundige aangesteld "rekening houdend met de gespannen verhouding tussen partijen en rekening houdend met het vertrouwelijk karakter van de dossiers".
U maakte over deze aanstelling als deskundige een aantal opmerkingen.
2.1.
In de eerste plaats stelt u dat mr. B niet de vertrouwelijkheid, noch het beroepsgeheim van de dossiers, behandeld door gewezen stafhouder A, kan schenden in de uitvoering van zijn deskundige opdracht.
De beoordeling over het beroepsgeheim ligt inderdaad bij stafhouder A of bij de andere raadslieden die de dossiers behandelen. Ik verwijs daaromtrent naar hetgeen voorafgaat.
Eens mr. B in zijn hoedanigheid van deskundige in het bezit komt van de dossiers, spreekt het voor zich dat hij gehouden is de vertrouwelijkheid en desgevallend het beroepsgeheim te respecteren. Het is trouwens om die specifieke reden dat de rechtbank een advocaat als deskundige heeft aangesteld.
Het is evenwel niet mr. B, maar wel de raadslieden van de vennootschap die zullen oordelen welke stukken zij aan mr. B zullen overmaken. Zij zullen dit in eer en geweten doen, rekening houdende met hun beroepsgeheim en met het mandaat dat zij ontvangen van hun cliënt.
2.2.
Verder lijkt het u onmogelijk dat mr. B zich zou moeten uitspreken over de juistheid van de informatie die door de verweerders zou zijn verstrekt, gezien hierdoor in casu een controle plaatsvindt op de oprechtheid, de waarheid van informatieverstrekking van de raadsman van de vennootschap.
Ik vrees dat ik het niet eens kan zijn met deze stelling. De informatie werd verstrekt door de verweerders via hun raadsman, maar niet noodzakelijkerwijze door de raadsman zelf. De raadsman kan ook slechts deze informatie overmaken die hij van zijn cliënten ontvangt.
Gezien er twijfel bestaat omtrent de juistheid van de informatie heeft de rechtbank geoordeeld dat een deskundige moest worden aangesteld om deze informatie te controleren. Omdat bepaalde dossiers blijkbaar een vertrouwelijk karakter hebben, heeft de rechtbank een advocaat als deskundige aangesteld, om een schending van het beroepsgeheim te vermijden. Deze advocaat moet mijns inziens zijn opdracht als deskundige kunnen uitvoeren zonder daarin gehinderd te zijn door een misbegrepen vorm van confraterniteit.
Indien zou blijken dat de raadsman van verweerders welbewust verkeerde informatie heeft verstrekt, dan ligt het probleem niet bij mr. B, maar wel bij de raadsman van de verweerders.
2.3.
Ten slotte lijkt het u absoluut onmogelijk dat mr. B zich als deskundige zou uitspreken over de afrekening van de kosten en de baten van de definitief afgehandelde dossiers van de vennootschap behandeld door stafhouder A.
U gaat er blijkbaar van uit dat deze afrekening is opgesteld door stafhouder A, feit waarvan ik in het mij toegezonden dossier geen bevestiging vind.
Indien de afrekening niet is opgesteld door stafhouder A, dan geldt hetzelfde als voor de andere informatie die werd verstrekt door de verweerders.
Indien de afrekening wel werd opgesteld door stafhouder A, dan begrijp ik uw opmerking. Gezien een advocaat geacht wordt steeds de waarheid te spreken, stoort het dat daarop controle zou worden uitgeoefend.
Nochtans geldt ook hier dat de confraterniteit en de kwaliteiten van eer, waardigheid en rechtschapenheid, die in hoofde van een advocaat mogen worden verondersteld, niet in de weg mogen staan van het rechtmatig belang van een partij om een en ander te controleren. Dat daarvoor door de rechtbank een advocaat werd aangesteld en geen derde, wijst erop dat de rechtbank oog heeft gehad voor deze gevoeligheden.
Mr. B zal ongetwijfeld met de nodige tact zijn opdracht moeten uitvoeren, maar mijns inziens verhindert geen enkele deontologische regel hem dit te doen.
Philippe De Jaegere
Bestuurder departement deontologie