Alle informatie over btw op erelonen van advocaten
Hieronder kan u de antwoorden vinden op de vaakste gestelde vragen in verband met btw op erelonen van advocaten.
Snel naar:
1. Btw-identificatie
1.1 Btw-identificatie en -statuut
Hoe verloopt de identificatie als advocaat?
De identificatie gebeurt door de activering als btw-nummer van het aan de advocaat toegekende ondernemingsnummer. Eens geactiveerd, dient het nummer steeds vermeld als ‘BTW BE (nummer KBO)’, of bij rechtspersonen gevolgd door de vermelding van de zetel van de rechtbank van het ambtsgebied waarbinnen de rechtspersoon haar zetel heeft. Bijvoorbeeld: ‘BTW BE 0866.418.153 RPR Gent’.
Hoe verloopt de identificatie bij associaties?
Volgend onderscheid dient te worden gemaakt, waarbij het vooral gaat om de vraag wie zich moet laten identificeren als btw‑belastingplichtige en wanneer.
Het advocatenkantoor/de associatie zelf
Een advocatenkantoor - ongeacht of het gaat om een natuurlijke persoon, vennootschap, associatie met of zonder rechtspersoonlijkheid - moet altijd worden geïdentificeerd als btw‑plichtige met recht op aftrek. Alle vergoedingen die het kantoor aanrekent aan cliënten zijn btw‑belast (21%).
Wanneer het kantoor lid is van een kostengroepering met gemeenschappelijke naam, wordt die groepering zelf btw‑plichtig en factureert zij haar kosten aan de advocaten door met btw.
Bij lidmaatschap van een kostengroepering zonder gemeenschappelijke naam wordt de groepering zelf niet beschouwd als belastingplichtige.
De advocaat‑vennoten binnen een associatie
Wanneer de vennoot enkel als werkende vennoot werkzaam is in de associatie, eist de btw‑administratie niet dat hij zich afzonderlijk identificeert. De associatie zelf wordt dan beschouwd als de belastingplichtige, niet de individuele vennoot.
Een vennoot moet zich wel identificeren als btw‑belastingplichtige wanneer hij naast zijn werk als vennoot ook eigen cliënten heeft waarvoor hij advocatendiensten verricht.
Advocaat‑medewerkers en stagiairs
Deze behoren formeel niet tot de ‘associatie’ als vennootschapsstructuur, maar vaak werken zij binnen een associatie. Zij zijn altijd afzonderlijk belastingplichtig en moeten zich wel individueel identificeren. Hun prestaties aan het kantoor zijn daarom btw‑belast.
Zij kunnen evenwel ook kiezen voor de bijzondere regeling, die bedoeld is om hun btw-verplichtingen tot een minimum te herleiden. Dit is een vrijwillige, administratief vereenvoudigde btw‑regeling voor advocaat‑stagiairs en advocaat‑medewerkers die enkel btw‑plichtige prestaties verrichten voor het advocatenkantoor waarbij zij zijn aangesloten.
1.2 Btw-statuut van de advocaat
Is een advocaat steeds btw-plichtig voor zijn beroepsactiviteiten?
De btw-status van een advocaat hangt af van de concrete rol of hoedanigheid waarin hij optreedt. Voor zijn klassieke advocatendiensten treedt een advocaat in beginsel op als gewone btw belastingplichtige, zodat zijn prestaties aan btw zijn onderworpen en hij recht heeft op aftrek van btw volgens de gewone regels.
Voor andere activiteiten kan de btw-behandeling echter verschillen. Zo kan een advocaat voor bepaalde mandaten of functies worden beschouwd als niet belastingplichtig, wanneer hij daarbij niet zelfstandig optreedt in de zin van artikel 4 van het BTW Wetboek, bijvoorbeeld wanneer hij handelt als orgaan van een vennootschap, als lid van een balie orgaan of in een context van ondergeschiktheid. Voor andere activiteiten kan een vrijstelling van btw van toepassing zijn, zoals bij bepaalde sociale, bemiddelings- of auteursactiviteiten.
Wanneer een advocaat verschillende rollen combineert, moet de btw-behandeling per activiteit afzonderlijk worden beoordeeld. Het is mogelijk dat éénzelfde advocaat gelijktijdig optreedt als gewone belastingplichtige voor bepaalde prestaties en als vrijgestelde of niet belastingplichtige voor andere prestaties. Deze cumulatie kan gevolgen hebben voor het recht op aftrek van btw en vereist een zorgvuldige kwalificatie van elke activiteit.
• Wanneer ben ik een volledige, gemengde of gedeeltelijk belastingplichtige?
Volledig belastingplichtige
U bent een volledig belastingplichtige wanneer alle prestaties die u als advocaat verricht volledig recht geven op aftrek van btw. Dit betekent dat u geen handelingen stelt die vrijgesteld zijn van btw (zoals schuldbemiddeling, voorlopig bewindvoerderschap, familiale bemiddeling, enzovoort) of die buiten de werkingssfeer van de btw vallen (zoals mandaten binnen de Orde, optreden als plaatsvervangend rechter, of het uitoefenen van statutaire mandaten als natuurlijke persoon).
Gemengd belastingplichtige
U bent een gemengde belastingplichtige wanneer u zowel belastbare handelingen verricht die recht geven op btw-aftrek, als vrijgestelde handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer u naast reguliere advocatendiensten (volledig btw-belast) ook één of meer van de volgende vrijgestelde activiteiten uitvoert: schuldbemiddeling, voorlopig bewindvoerderschap voor natuurlijke personen, optreden als voogd of voogd ad hoc, familiale bemiddeling, onderwijsopdrachten of het geven van voordrachten.
Vanaf het moment dat u één van deze vrijgestelde activiteiten verricht, wordt u als gemengde belastingplichtige beschouwd.
Gedeeltelijk belastingplichtige
U bent een gedeeltelijk belastingplichtige wanneer u enerzijds btw-belastbare activiteiten verricht (waarvoor u recht hebt op aftrek), maar tegelijkertijd ook activiteiten uitvoert die volledig buiten de werkingssfeer van de btw vallen.
Een advocaat is bijvoorbeeld gedeeltelijk belastingplichtig wanneer deze, naast de advocatenpraktijk, ook optreedt als plaatsvervangend rechter, lid is van de Raad van de Orde of bestuurder is van een vennootschap.
2. Facturatie: e-facturatie, vormvereisten en inhoud
2.1. E-facturatie
Wat is e‑facturatie en wat is Peppol?
E‑facturatie is het verzenden en ontvangen van facturen in een gestructureerd elektronisch formaat (bv. Peppol‑BIS), zodat boekhoudsoftware ze automatisch kan verwerken. Peppol is het beveiligde Europese netwerk waarlangs deze gestructureerde facturen worden uitgewisseld via een access point.
Vanaf wanneer zijn advocaten verplicht om gestructureerd elektronisch te factureren?
Vanaf 1 januari 2026 zijn Belgische btw‑plichtige ondernemingen verplicht om hun B2B‑facturen gestructureerd en elektronisch uit te reiken. Deze verplichting geldt ook voor advocaten wanneer zij factureren aan btw‑plichtige cliënten. De Peppol‑verplichting geldt enkel voor binnenlandse B2B. Voor buitenlandse btw‑plichtigen (EU/niet‑EU) blijft de normale facturatieregeling gelden. Peppol gebruiken mag, maar is niet verplicht.
Voor facturatie aan niet‑btw‑plichtige cliënten, zoals particulieren, geldt deze verplichting niet. Advocaten moeten evenwel wel in staat zijn om gestructureerde elektronische facturen te ontvangen van btw‑plichtige leveranciers.
Wat wordt bedoeld met gestructureerde elektronische facturatie?
Gestructureerde elektronische facturatie houdt in dat facturen worden verzonden en ontvangen in een gestandaardiseerd elektronisch formaat dat automatisch kan worden verwerkt door boekhoud‑ en facturatiesystemen. Onder elektronische facturatie wordt niet verstaan het verzenden van een pdf‑factuur per e‑mail, maar wel het verzenden en ontvangen van gestructureerde elektronische facturen via een beveiligd netwerk.
In België gebeurt dit via het Peppol ‑netwerk (Pan‑European Public Procurement Online), waarbij gebruik wordt gemaakt van het gestandaardiseerde Peppol‑Bis‑formaat.
Hoe kan een advocatenkantoor gebruikmaken van Peppol?
Om elektronische facturen via Peppol te verzenden en te ontvangen, moet een advocatenkantoor aangesloten zijn bij een Access Point Provider en beschikken over software die compatibel is met het Peppol ‑netwerk.
Een Access Point Provider fungeert als tussenpersoon die instaat voor de veilige verzending, ontvangst en validatie van elektronische facturen. Eenmaal aangesloten kan het kantoor communiceren met alle andere deelnemers aan het Peppol ‑netwerk.
Wat betekent deze verplichting concreet voor mijn kantoororganisatie?
Advocatenkantoren moeten hun facturatie‑ en boekhoudsystemen aanpassen zodat zij gestructureerde elektronische facturen zowel kunnen uitreiken aan btw‑plichtige cliënten als kunnen ontvangen van leveranciers. Indien de btw-plichtige cliënt technisch niet in staat is een gestructureerde e-factuur te ontvangen, mag tijdelijk een niet-gestructureerde factuur (bijvoorbeeld een pdf) worden uitgereikt.
Zijn er sancties voorzien wanneer ik niet voldoe aan de Peppol‑verplichting?
Het Koninklijk Besluit van 8 juli 2025 voorziet getrapte forfaitaire geldboeten voor btw‑plichtigen die niet beschikken over de technische middelen om gestructureerde elektronische facturen uit te reiken of te ontvangen:
- € 1.500 bij een eerste overtreding;
- € 3.000 bij een tweede overtreding;
- € 5.000 bij elke volgende overtreding.
De fiscus kan een volgende overtreding pas vaststellen na het verstrijken van een termijn van drie maanden, zodat de belastingplichtige de kans krijgt zich in regel te stellen.
Bestaat er een fiscaal voordeel voor de overstap naar elektronische facturatie?
Om de overstap naar elektronische facturatie te ondersteunen, voorziet de wetgever in een tijdelijke verhoogde kostenaftrek van 120% voor bepaalde kosten (zoals software‑abonnementen en advieskosten). De verhoogde kostenaftrek geldt zowel in de personen- als vennootschapsbelasting, maar is uitdrukkelijk beperkt tot kleine vennootschappen. Dit zijn vennootschappen tot en met 50 werknemers, met een maximale jaaromzet van 9 miljoen euro (zonder btw) en een maximaal balanstotaal van 4,5 miljoen euro. In de praktijk dekt dat het grootste deel van de advocatuur. Deze maatregel is tijdelijk en geldt tot eind 2027 (aanslagjaar 2028).
Heeft de btw‑administratie via Peppol toegang tot mijn factuurgegevens?
De invoering van Peppol op zich verleent de btw‑administratie geen onbeperkte toegang tot factuurgegevens. Eventuele verdere rapporteringsverplichtingen (zoals e‑reporting) vereisen een afzonderlijke wettelijke basis. Ongeacht eventuele toekomstige ontwikkelingen blijft het essentieel om het beroepsgeheim te respecteren door de inhoud van Peppol‑facturen strikt te beperken.
Zijn mijn algemene voorwaarden afdwingbaar wanneer ik factureer via Peppol?
Via Peppol kan een bijlage, zoals een pdf met algemene voorwaarden, worden meegestuurd en kan in de gestructureerde velden van de factuur naar die bijlage worden verwezen. Peppol wijzigt echter niets aan de basisregels van het contractenrecht. Algemene voorwaarden zijn slechts tegenstelbaar wanneer zij aan de medecontractant zijn meegedeeld en door deze (minstens stilzwijgend) zijn aanvaard. Het meesturen van de algemene voorwaarden via Peppol bewijst wel dat zij aan de medecontractant werden overgemaakt, maar vormt op zich nog geen bewijs van aanvaarding.
2.2. Vermeldingen
Welk adres moet ik in de factuur opnemen?
De advocaat‑natuurlijke persoon mag op zijn facturen het adres van zijn kantoor vermelden in plaats van zijn privéadres, op voorwaarde dat dit een reëel beroepsadres is - met andere woorden: de plaats waar zijn kantoor effectief gevestigd is en van waaruit hij zijn professionele activiteiten uitoefent.
Het is echter belangrijk te benadrukken dat het privéadres (domicilieadres) van de advocaat‑natuurlijke persoon de bevoegdheid van het btw‑controlekantoor bepaalt. Dit betekent dat, ongeacht welk adres op de facturen wordt vermeld, het btw‑dossier gekoppeld blijft aan het controlekantoor dat territoriaal bevoegd is voor het domicilieadres.
Op welke wijze moet ik mijn naam of maatschappelijke benaming op de factuur aanbrengen?
De factuurvereisten vereisen dat de juridische naam van de onderneming of de natuurlijke persoon verplicht wordt vermeld. Voor een natuurlijke persoon gaat het om de officiële naam en voornaam; voor een rechtspersoon om de maatschappelijke of statutaire benaming.
De naam die op de factuur verschijnt, moet overeenstemmen met de officiële registratie, bijvoorbeeld zoals opgenomen in de KBO.
Een handelsnaam mag aanvullend worden gebruikt, maar nooit in de plaats van de officiële geregistreerde naam.
Welk btw-identificatienummer moet de opvolger van een overleden advocaat op de factuur vermelden?
In geval van het overlijden van een advocaat natuurlijke persoon kan het btw‑identificatienummer niet verder worden gebruikt door een opvolger. De opvolger moet de beroepsactiviteit voortzetten onder een eigen btw‑identificatienummer, aangezien het persoonlijk karakter van het statuut van natuurlijk persoon dit niet toelaat. Het btw‑nummer van de overleden advocaat wordt door de btw-administratie ambtshalve stopgezet.
Wanneer de overleden advocaat zijn activiteit via een rechtspersoon uitoefende, kan de vennootschap in de regel wel worden voortgezet zonder wijziging van het btw‑identificatienummer. De rechtspersoon blijft immers bestaan, ongeacht het overlijden van een bestuurder of vennoot. Slechts in uitzonderlijke situaties - bijvoorbeeld wanneer de statuten een zeer sterk intuitu personae‑karakter vertonen en bepalen dat het overlijden van een vennoot automatisch tot ontbinding leidt - zou het btw‑nummer niet behouden kunnen blijven. In de praktijk komt dit echter zeer zelden voor.
2.3. Identificatie van de cliënt
Welke gegevens van mijn cliënt moet ik opnemen in de factuur en wat zijn de sancties?
De factuur moet steeds de naam of maatschappelijke benaming én het adres van de cliënt bevatten. Wanneer de cliënt een btw‑belastingplichtige is of een niet‑belastingplichtige rechtspersoon met een eigen btw‑identificatienummer (zoals een vzw of een overheidsinstelling), is bovendien de vermelding van het btw‑nummer van de cliënt verplicht.
Het btw-nummer opzoeken kan via:
- Kruispuntbank van Ondernemingen
- VIES-systeem voor bedrijven in de EU
Het is sterk aanbevolen om bij elke nieuwe klant deze controle uit te voeren vooraleer een factuur wordt opgesteld. Onjuiste of onvolledige gegevens op de factuur kunnen leiden tot administratieve sancties of boetes en de weigering van de btw‑aftrek bij de klant. Daarom is het essentieel om de informatie die de medecontractant verstrekt zorgvuldig te verifiëren.
Wanneer een buitenlandse cliënt beschikt over een Belgisch btw‑identificatienummer maar niet in België is gevestigd, is de verplichting om gestructureerde elektronische facturen (Peppol) uit te reiken niet (langer) van toepassing. Deze verplichting blijft daarentegen wel gelden voor buitenlandse belastingplichtigen die over een Belgisch btw‑identificatienummer beschikken én in België zijn gevestigd. Buitenlandse btw‑plichtigen met een Belgisch btw‑nummer zonder vestiging in België vallen dus buiten de verplichting.
Wie moet ik als cliënt beschouwen?
De kernregel is de volgende: de cliënt is de persoon met wie de advocaat een contractuele relatie heeft. De factuur moet worden opgemaakt op naam van degene die hem de opdracht heeft gegeven, ongeacht wie de betaling uitvoert. Dit is de medecontractant. De cliënt is immers niet noodzakelijk degene die betaalt.
Naast de klassieke tussenkomsten van verzekeraars (zie verder) bestaan er ook andere situaties waarin een derde de erelonen van de advocaat betaalt zonder dat deze derde cliënt wordt. De circulaire vermeldt in dit verband verschillende voorbeelden, zoals wanneer een werkgever de kosten draagt voor een werknemer, ouders betalen voor hun kind, een bank tussenkomt voor een klant, de overheid de bijstand van een ambtenaar financiert, of een vakbond optreedt voor één van haar leden. In al deze gevallen blijft de werkelijke cliënt steeds de persoon voor wie de advocaat optreedt - degene wiens belangen de advocaat juridisch verdedigt - ongeacht wie de factuur uiteindelijk betaalt. De derde fungeert dan enkel als derde‑betaler, maar is niet de medecontractant van de advocaat.
- Specifieke situatie: verzekeraar
Rechtsbijstandsverzekeraar
Wanneer een rechtsbijstandsverzekeraar de kosten betaalt, blijft de verzekerde de cliënt. Enkel de verzekerde kiest immers vrij zijn advocaat en stelt formeel zijn advocaat aan. Daarom moet de factuur op naam van de verzekerde worden opgemaakt.
De factuur mag vervolgens rechtstreeks aan de verzekeraar worden bezorgd, die optreedt als derde‑betaler. De verzekeraar betaalt het deel van de erelonen en kosten dat onder de polisdekking valt. Eventuele resterende bedragen die niet gedekt zijn, worden rechtstreeks aan de verzekerde gefactureerd.
De btw-administratie aanvaardt dat de verzekeringsnemer (bijvoorbeeld de persoon die de rechtsbijstandsverzekering afsluit ten voordele van zijn bestuurders of personeelsleden) de door de advocaat aan de verzekerde aangerekende btw geheel of gedeeltelijk in aftrek mag brengen, voor zover de verzekerde geen belastingplichtige met recht op aftrek is. In dat geval bezorgt de verzekerde een afschrift van de factuur aan de verzekeringsnemer. Om het recht op aftrek uit te oefenen, stelt de verzekeringsnemer een document op met vermelding ‘Recht op aftrek toegestaan aan de verzekeringsnemer. Verzekerde heeft niet de hoedanigheid van belastingplichtige met recht op aftrek. Beslissing E.T.126.564/2 van 23.09.2016’ en voegt hij daarbij een afschrift van de originele factuur.
In het kader van e-facturatie wordt aanbevolen om de factuur via Peppol uit te reiken aan de btw‑plichtige cliënt (met beperkte inhoud) en daarnaast een kopie van de factuur rechtstreeks aan de verzekeraar te bezorgen. Op die manier blijft de regeling van derde betaler behouden, zonder afbreuk te doen aan de Peppol‑verplichting of het beroepsgeheim.
Verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid
Wanneer een verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid tussenkomt, kunnen zich drie situaties voordoen die bepalend zijn voor wie cliënt is en op wiens naam de factuur moet worden opgesteld.
1. Wanneer de BA‑verzekeraar de leiding van het geschil op zich neemt, wordt de advocaat door de verzekeraar aangesteld en is de verzekeringsmaatschappij zijn cliënt. In dat geval moet de factuur op naam van de verzekeraar worden opgemaakt, aangezien zij de contractuele medecontractant is. De verzekeraar betaalt vervolgens de erelonen en kosten die onder de polis vallen.
2. Ligt er echter een belangenconflict tussen de BA‑verzekeraar en de verzekerde, dan hangt de bepaling van de medecontractant af van wie de advocaat heeft aangesteld. Wordt hij door de verzekeraar aangesteld, dan blijft de verzekeraar de cliënt en wordt aan hem gefactureerd. Wordt de advocaat daarentegen door de verzekerde aangesteld omdat deze een eigen fout heeft begaan - bijvoorbeeld bij dronkenschap of een andere uitsluitingsgrond - dan is de verzekerde zijn cliënt en wordt de factuur op zijn naam opgesteld. In gevallen waarin de verzekerde de advocaat aanstelt zonder dat hem een fout treft, bijvoorbeeld wanneer enkel de belangen tussen partijen uiteenlopen, blijft ook hij de medecontractant. De factuur wordt dan eveneens op naam van de verzekerde opgesteld, zelfs wanneer de BA‑verzekeraar een deel van de kosten ten laste neemt.
3. Wanneer de BA‑verzekeraar volledig dekking weigert, is de verzekerde automatisch de cliënt. Hij stelt de advocaat zelf aan, de factuur wordt op zijn naam opgemaakt en hij staat in voor de betaling.
Beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar
In het geval van een tussenkomst door een beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar aanvaardt de btw-administratie in bepaalde omstandigheden dat de verzekerde moet worden beschouwd als de medecontractant van de advocaat. Om dit te bepalen moet steeds een globale beoordeling worden gemaakt van de concrete feiten die aan het geschil ten grondslag liggen.
Wanneer blijkt dat de advocatendiensten in hoofdzaak worden verleend om te vermijden dat de verzekerde aansprakelijk wordt gesteld en daarbij financiële of reputatieschade zou lijden, kan dit een doorslaggevend element zijn om de verzekerde als cliënt te beschouwen. Het gaat dan om situaties waarin de advocaat de belangen van de verzekerde primair verdedigt, ook al komt de verzekeraar tussen in de kosten.
Daarnaast blijft het in deze context belangrijk om na te gaan wie het initiatief neemt en wie de advocaat daadwerkelijk aanstuurt. De partij die de inhoudelijke instructies geeft, richtlijnen bepaalt en beslissingen neemt in het dossier, speelt een essentiële rol bij het vaststellen wie de echte medecontractant is.
In alle situaties waarin een derde - zoals een verzekeraar - geheel of gedeeltelijk betaalt, mag de factuur rechtstreeks naar deze derde‑betaler worden gestuurd. Belangrijk is wel dat de factuur altijd wordt opgesteld op naam van de juiste medecontractant, namelijk de persoon of instantie die de advocaat daadwerkelijk heeft aangesteld.
- Specifieke situatie: bank/financiële instelling
Bij bepaalde financiële transacties, waarbij u als raadsman in het kader van een overeenkomst tussen drie partijen - de advocaat, de bank en de cliënt van de bank - kan zowel de bank als de cliënt van de bank als uw medecontractant worden beschouwd. Ook hier moet u opnieuw, op basis van een globale beoordeling van de concrete omstandigheden, bepalen welke van beide partijen u als de werkelijke medecontractant dient te herkennen. In de specifieke context van advocatendiensten binnen de financiële en bancaire sector kunnen bovendien bijkomende elementen richtinggevend zijn. Zo kan worden gekeken in welke mate de cliënt van de bank betrokken is bij de keuze van het advocatenkantoor, in welke mate de cliënt overlegt met de bank over de toewijzing van het werk, de inhoud van het mandaat en de honoraria, en welke afspraken tussen bank en cliënt bestaan omtrent het ten laste nemen van de advocatenkosten.
In het bijzonder bij meerpartijenovereenkomsten tussen advocaat, financiële instelling en cliënt van die instelling - bijvoorbeeld in het kader van financieringsoperaties of uitgebreide financiële transacties - is deze beoordeling niet altijd eenvoudig. Wanneer echter blijkt dat de cliënt van de bank in het kader van de transactie een economisch belang heeft of verkrijgt, dan aanvaardt de btw-administratie dat deze cliënt, als economisch reële afnemer van de advocatendiensten, voor btw‑doeleinden als medecontractant wordt beschouwd.
Belangrijk is dat de btw‑positie van de afnemer - met andere woorden, of hij recht heeft op btw‑aftrek of niet - geen criterium mag vormen bij de beoordeling van wie als medecontractant moet worden aangemerkt. Een facturatie die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt opgezet om een fiscaal voordeel te creëren, zoals het kunstmatig genereren van een recht op aftrek bij de cliënt en het vermijden van een btw‑kost bij de financiële instelling, vormt een misbruik van recht. Dergelijke artificiële constructies kunnen aanleiding geven tot btw‑navorderingen, verhoogd met boetes en interesten, omdat zij niet overeenstemmen met de economische realiteit en ingaan tegen de doelstellingen van de btw‑wetgeving.
- Specifieke situaties: eerstelijnsbijstand
De juridische eerstelijnsbijstand wordt georganiseerd door de Commissies voor Juridische Bijstand (CJB’s), die ressorteren onder de balies. Advocaten-vrijwilligers hoeven op het formulier met hun juridisch advies bijvoorbeeld niet de naam van de rechtzoekende te vermelden. Zij hebben in dit kader geen eigen cliënteel dat zij zouden kunnen factureren. Zij werken in opdracht van de CJB en worden voor hun prestaties betaald met overheidssubsidies via deze commissie.
De medecontractant van de advocaat voor de prestaties binnen de juridische eerstelijnsbijstand is dus niet de rechtzoekende, maar de betrokken CJB. De advocaat moet zijn factuur dan ook richten aan de CJB, waarbij het bijzonder nultarief wordt toegepast.
Wie moet ik op de factuur vermelden ingeval er meerdere medecontractanten zijn en zijn zij hoofdelijk gehouden?
De factuur moet altijd worden opgesteld op naam van de persoon met wie de advocaat een contractuele relatie heeft, ook wanneer meerdere personen bij de dienstverlening betrokken zijn.
Dit betekent dat wanneer één dienst wordt geleverd aan meerdere medecontractanten, de advocaat evenveel facturen moet opstellen als er cliënten zijn. Elke factuur vermeldt dan het gedeelte waarvoor die persoon contractueel gehouden is (bijvoorbeeld 50/50, 30/70, …).
Wanneer de advocaat een factuur moet uitreiken op naam van de medecontractant, maar het ereloon wordt betaald door een derde, kan de advocaat de factuur uiteraard rechtstreeks bezorgen aan deze derde betaler.
Wat zijn de risico’s bij onjuiste identificatie van de medecontractant?
Een fout in de identificatie van de medecontractant kan belangrijke risico’s met zich meebrengen. Het grootste risico ligt bij de partij die verkeerd wordt vermeld op de factuur.
Btw kan immers alleen worden afgetrokken wanneer de factuur is uitgereikt op naam van de juiste belastingplichtige en een correcte weergave bevat van de uitgevoerde handeling. Als de identiteit of het adres van een partij onjuist vermeld is, kan de medecontractant de btw niet in aftrek brengen. Dit kan zelfs aanleiding geven tot btw‑navorderingen, inclusief boetes en interesten.
Wanneer er een fout is gemaakt in de identificatie van de medecontractant, moet zowel een creditnota worden opgesteld voor de foutief aangeduide partij als een nieuwe, correcte factuur voor de juiste medecontractant. Dit zorgt voor extra administratieve lasten.
Een verkeerd geïdentificeerde medecontractant kan bovendien leiden tot mogelijke aansprakelijkheid van de advocaat, indien hierdoor schade ontstaat (bijvoorbeeld verlies van btw‑aftrek).
Moet een advocaat zijn btw-plichtige cliënten opnemen in de jaarlijkse btw-listing en is dat verenigbaar met het beroepsgeheim?
Ja. Advocaten zijn, net als andere btw-plichtigen, gehouden om een jaarlijkse klantenlisting in te dienen voor btw-plichtige cliënten wanneer de wettelijke voorwaarden vervuld zijn. Het Grondwettelijk Hof heeft in arrest nr. 43/2019 van 14 maart 2019 geoordeeld dat deze verplichting niet strijdig is met het beroepsgeheim. Hoewel de identiteit van een cliënt en het feit dat een beroep wordt gedaan op een advocaat in beginsel onder het beroepsgeheim vallen, achtte het Hof de inmenging verantwoord door het doel om de correcte inning van de btw te verzekeren en belastingontduiking te bestrijden. Daarbij wees het Hof ook op de wettelijke geheimhoudingsplicht die rust op de btw-administratie.
2.4. Omschrijving, beroepsgeheim en prijs
Op welke wijze moet ik de aard van de handeling op de factuur omschrijven, met respect voor beroepsgeheim?
Een advocatenfactuur moet voldoende gegevens bevatten om de geleverde prestaties te identificeren, hun omvang te beoordelen en het toepasselijke btw‑tarief te bepalen. De btw‑administratie aanvaardt daarbij een beknopte omschrijving, op voorwaarde dat duidelijk wordt vermeld dat het om advocatendiensten gaat, in het kader van de professionele of privé‑activiteiten van de cliënt. Een neutrale en algemene formulering is daarbij niet alleen toegestaan, maar ook aangewezen om elke schending van het beroepsgeheim te vermijden. De factuur mag geen inhoudelijke gegevens bevatten over het concrete dossier, zoals feiten, namen van tegenpartijen, procedure‑elementen of juridische kwalificaties.
De factuur moet wel inzicht geven in de wijze waarop de erelonen zijn berekend. Afhankelijk van de gekozen methode (uurtarief, forfait, jaarcontract of percentage) moeten de relevante kwantitatieve gegevens worden vermeld, zoals het aantal gepresteerde uren en het toepasselijke tarief, of de afzonderlijke forfaitaire items met hun prijs. De aangerekende prijs moet overeenstemmen met wat effectief aan de cliënt wordt gefactureerd, ook wanneer daarvan wordt afgeweken om bijvoorbeeld sociale of financiële redenen.
Indien bepaalde gegevens worden opgenomen in een bijlage, moet de factuur daar expliciet naar verwijzen; die bijlage vormt dan een integraal onderdeel van de factuur. Bijkomende documenten zoals timesheets of detailoverzichten die niet noodzakelijk zijn voor btw‑controle en die vertrouwelijke informatie kunnen bevatten, maken geen deel uit van de factuur. Door deze werkwijze wordt het beroepsgeheim gewaarborgd, terwijl de factuur toch toelaat het recht op aftrek bij de cliënt en de btw‑verplichtingen te controleren.
Hier zijn enkele juridisch juiste omschrijvingen die volledig conform de administratieve richtlijnen zijn:
Voorbeeld 1 – Uurtarief
Diensten van advocaat – professionele activiteiten van de cliënt
X uren juridische prestaties aan euro …/uur
Voorbeeld 2 – Privé-advies
Diensten van advocaat – privé-activiteiten van de cliënt
Forfaitaire vergoeding juridische bijstand
Voorbeeld 3 – Procedure zonder detail
Diensten van advocaat – juridische bijstand in het kader van een lopende procedure
Y uren aan euro …/uur
Voorbeeld 4 – Dossiercode i.p.v. omschrijving
Dit is toegestaan omdat er geen inhoud wordt vrijgegeven:
Juridische dienstverlening – Dossierref. 24/0157
10 uren aan euro …/uur
Hoe bepaal ik de eenheidsprijs en neem ik die op in de factuur?
De btw-administratie laat verschillende manieren toe om de eenheidsprijs van uw ereloon vast te leggen. U kiest zelf de methode, in functie van uw kantoorbeleid of de overeenkomst met de cliënt.
Toegelaten methoden
- Uurtarief
U bepaalt een prijs per uur of per tijdsblok (bijvoorbeeld per begonnen kwartier).
Voorbeelden:
– euro 150 per uur
– euro 37,50 per begonnen kwartier
- Forfait per prestatie of per onderdeel
U hanteert vaste prijzen per type dienst.
Voorbeelden:
– ‘Opstellen standaardadvies: euro 300 forfaitair’
– ‘Verschijnen op zitting: euro 250 per zitting’
- Forfait per dossier of per fase van het dossier
Voorbeelden:
– ‘Behandeling volledig dossier invordering: euro 1.500 forfaitair’
– ‘Fase 1 (advies): euro … – Fase 2 (procedure): euro …’
Dit is toegestaan, op voorwaarde dat duidelijk is wat het forfait precies omvat.
- Percentage van het belang van de zaak
In sommige dossiers wordt gewerkt met een percentage van de inzet.
Voorbeeld:
– 10% op gerecupereerde bedragen
Dit wordt erkend als een toegelaten methode.
Mag ik op de factuur een bedrag inclusief btw vermelden?
In principe moet u op de factuur altijd zowel het toepasselijke btw‑tarief (thans 21%) als het totale bedrag van de verschuldigde btw vermelden.
Alleen wanneer de medecontractant (cliënt) een particulier is die de dienst niet aanwendt voor de uitoefening van een beroepsactiviteit, mag de advocaat volstaan met de vermelding van de totaalprijs inclusief btw en het toepasselijke btw‑tarief. In dat geval moet de factuur worden aangevuld met de volgende vermelding: ‘Verrichting met een particulier. Prijs gefactureerd inclusief btw. Aanschrijving van 29 juli 1971, nr. 119’.
2.5. Wijzigingen, duplicaten en creditnota’s
Wat moet ik doen wanneer het origineel van de factuur verloren is gegaan?
Enkel het originele exemplaar van de factuur kan dienen voor de uitoefening van het recht op aftrek. Op alle andere exemplaren moet uitdrukkelijk worden vermeld dat het om een ‘dubbel’ of een ‘duplicaat’ gaat.
Bij verlies van de originele factuur mag de leverancier (u dus) deze vervangen door een dubbel dat in alle opzichten identiek is aan het oorspronkelijke stuk (ook wat de datum betreft). Dit dubbel moet worden aangevuld met de vermelding: ‘Dubbel uitgereikt op vraag van de klant ter vervanging van de verloren of teloor gegane originele factuur’.
Het dubbel wordt gedagtekend op de datum van uitreiking.
Hoe moet ik verbeteringen aan de factuur doorvoeren en wat is de wisselwerking met de aangifte?
Wanneer een fout wordt vastgesteld op een reeds uitgereikte factuur, voorziet het btw‑recht slechts één correcte werkwijze om deze recht te zetten. Een oorspronkelijke factuur mag nooit worden aangepast, vervangen, opnieuw verstuurd of uit de nummering verwijderd. Evenmin mag een nieuwe factuur worden uitgereikt met hetzelfde factuurnummer. Elke verbetering moet steeds gebeuren door eerst een creditnota (negatieve factuur) uit te reiken, gevolgd door een nieuwe, correcte factuur.
De oorspronkelijke factuur bepaalt het aangiftetijdvak waarin de btw opeisbaar is en waarin deze had moeten worden opgenomen. Ook wanneer die factuur foutief is, blijft de daarop vermelde btw onlosmakelijk verbonden met het aangiftetijdvak waarin de factuur oorspronkelijk werd uitgereikt. Dit tijdvak kan nooit retroactief worden gecorrigeerd.
De uitreiking van een creditnota heeft steeds uitwerking in het lopende aangiftetijdvak en heeft geen impact op het verleden. De foutieve factuur blijft dus behouden in het oorspronkelijke aangiftetijdvak, terwijl zowel de creditnota als de nieuwe, gecorrigeerde factuur worden verwerkt in het aangiftetijdvak waarin de creditnota wordt opgesteld.
De wisselwerking tussen de factuurcorrectie en de btw‑aangifteverplichting bestaat er dan ook in dat correcties uitsluitend via toekomstige aangiften verlopen. De btw‑administratie staat geen retroactieve aanpassingen van afgesloten aangiftetijdvakken toe.
Kan ik een fout in de btw-aangifte of in een factuur verbeteren?
Een fout in een btw‑aangifte kan worden gecorrigeerd door via INTERVAT een nieuwe aangifte in te dienen die de oorspronkelijke aangifte volledig vervangt. Daarbij moet steeds de referentie van de oorspronkelijke aangifte worden vermeld en moeten alle gegevens voor het betrokken tijdvak opnieuw worden opgenomen, inclusief de gegevens die in de eerste aangifte reeds correct waren. In het vak ‘commentaar’ kan worden verduidelijkt dat het om een gecorrigeerde en correcte aangifte gaat, zodat voor de btw‑administratie geen twijfel bestaat over welke aangifte als definitief moet worden beschouwd. Vanaf 1 januari 2025 kan geen verbeterde aangifte meer worden ingediend na het verstrijken van de wettelijke indieningstermijn. Indien de fout pas wordt ontdekt na het verstrijken van de indieningstermijn, dient de correctie te worden opgenomen in de eerstvolgende btw‑aangifte.
Wanneer een fout wordt vastgesteld op een reeds uitgereikte factuur, moet deze steeds worden rechtgezet via de uitreiking van een verbeterend stuk, met name een creditnota. Het opstellen van een creditnota is onder meer verplicht wanneer de oorspronkelijke factuur een fout bevat (zoals een verkeerd bedrag, een onjuiste btw‑voet of ontbrekende gegevens), wanneer een levering of dienst geheel of gedeeltelijk wordt geannuleerd, wanneer na facturatie een korting of commerciële tegemoetkoming wordt toegekend, of wanneer een vordering definitief oninbaar wordt, bijvoorbeeld in geval van faillissement.
Elke creditnota moet uitdrukkelijk verwijzen naar de oorspronkelijke factuur en minstens het factuurnummer, de factuurdatum en het bedrag of gedeelte van het bedrag vermelden dat wordt gecorrigeerd. Op die manier blijft de facturatie correct traceerbaar en kunnen zowel de btw‑verplichtingen als het recht op aftrek op een correcte wijze worden gecontroleerd.
3. Betaling, belastbaar feit, opeisbaarheid en teruggaaf
3.1. Betaling
Hoe gebeurt de betaling?
De betaling van btw wordt sinds de hervorming van de btw-ketting geïntegreerd in een systeem van provisierekeningen en automatische aanrekening. Dit houdt in dat de beschikbare tegoeden op de provisierekening automatisch worden gebruikt om verschuldigde btw te betalen. De belastingplichtige dient in de praktijk slechts het netto te betalen saldo te vereffenen. De btw plichtige kan zijn positie opvolgen via MyMinfin.
Moeten nog btw-voorschotten worden betaald?
Neen. De vroegere verplichting om periodieke btw-voorschotten te betalen werd afgeschaft. De belastingplichtige betaalt in principe het saldo dat voortvloeit uit de periodieke btw-aangifte. Sinds de hervorming van de btw-keten worden betalingen en btw-tegoeden beheerd via de btw-provisierekening. Eventuele tegoeden kunnen automatisch worden aangewend voor openstaande btw-schulden of, onder voorwaarden, worden teruggevraagd.
Wat is de zomerregeling?
De zomerregeling was een jaarlijkse administratieve versoepeling van de FOD Financiën waarbij ondernemingen extra tijd krijgen om hun btw‑aangiften in te dienen tijdens de zomermaanden juli en augustus. De zomerregeling is evenwel afgeschaft vanaf 1 mei 2026. Er geldt sindsdien geen algemene verlenging meer van de indieningstermijn voor btw-aangiften tijdens de zomermaanden.
Wat is self-billing en kan dit nuttig zijn in uw praktijk?
Self‑billing betekent dat de klant de factuur opstelt in naam en voor rekening van de leverancier of dienstverrichter. In plaats van dat de advocaat als dienstverlener zelf een factuur uitreikt, maakt de klant de factuur voor hem op, volgens vooraf overeengekomen voorwaarden. Self‑billing is volledig wettelijk toegestaan op voorwaarde dat er een voorafgaand akkoord bestaat tussen beide partijen, elke factuur door de leverancier of dienstverrichter wordt goedgekeurd (uitdrukkelijk of stilzwijgend) en de facturen alle wettelijke vermeldingen bevatten.
Bij een advocatenpraktijk betekent deze regeling dat niet de medewerker zelf een factuur uitreikt aan de associatie, maar dat de associatie een ‘aankoopfactuur’ opstelt en uitreikt in naam van de medewerker. De associatie kan dit efficiënter doen omdat zij beschikt over alle gegevens omtrent de werkelijk geleverde prestaties, bijvoorbeeld op basis van het tijdsregistratiesysteem. Voor advocaat‑medewerkers en advocaat‑stagiairs die onder de bijzondere regeling vallen, is self‑billing verplicht. Het kantoor moet in hun naam facturen opmaken (self‑bills), met de vermelding: ‘btw verlegd – Circulaire AAFisc nr. 47/2013’. Self‑billing vormt voor advocatenkantoren een administratieve vereenvoudiging en zorgt voor een uniforme facturatie van alle medewerkers.
Ook wanneer een kantoor samenwerkt met grote institutionele klanten (zoals verzekeraars, banken, overheidsinstanties of grote ondernemingen met eigen administraties) die vaak met eigen facturatiesystemen werken, wordt self‑billing toegepast. In zulke gevallen kan self‑billing een aanzienlijk administratief voordeel opleveren.
In het kader van de self‑billingregeling laat de btw‑administratie onder welbepaalde voorwaarden toe dat de btw wordt verlegd naar de afnemer, die tevens degene is die de self‑bill opstelt. De afnemer draagt in dat geval de btw af in plaats van de dienstverrichter. Dit biedt het voordeel dat er geen voorfinanciering van btw moet gebeuren. Deze verlegging is van toepassing wanneer voor medewerkers en stagiairs wordt gekozen voor de bijzondere regeling. Wanneer de btw wordt verlegd, moet de self‑bill ook de vermelding ‘btw verlegd’ bevatten.
Hoe verloopt e-facturatie via Peppol bij self-billing: stelt de advocaat-medewerker zelf de factuur op en verstuurt die via zijn Access Point, of gebeurt dit nog steeds door de opdrachtgever?
Bij self-billing via Peppol blijft het de opdrachtgever (het kantoor) die de factuur opstelt. Peppol wijzigt de rol van de factuuropsteller niet, ze faciliteert de technische transmissie van de factuur.
Het proces verloopt als volgt:
- het kantoor genereert de self-billed factuur en verstuurt deze via zijn Access Point naar het Access Point van de advocaat-medewerker.
- de advocaat-medewerker ontvangt en verwerkt de factuur in zijn systeem.
3.2. Belastbaar feit en opeisbaarheid
Waarom is het belangrijk te weten wanneer de btw opeisbaar is?
De opeisbaarheid van btw is één van de belangrijkste concepten binnen het btw‑recht. Ze bepaalt wanneer de Staat het recht heeft om btw te innen én wanneer u deze btw moet aangeven en voldoen. Dit principe is om meerdere redenen essentieel.
- Het bepaalt in welk tijdvak de btw moet worden aangegeven
De btw moet worden opgenomen in de aangifte van het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt, niet in het tijdvak waarin u factureert.
- Het bepaalt wanneer u verplicht bent een factuur uit te reiken
Zodra een dienst is verricht, wordt de btw opeisbaar en moet u een factuur uitreiken binnen de wettelijke termijn, namelijk uiterlijk op de 15e dag van de volgende maand.
- Het bepaalt wanneer de klant recht heeft op aftrek
Voor een btw‑plichtige klant ontstaat het recht op aftrek van voorbelasting pas wanneer de btw opeisbaar wordt.
- Het bepaalt wanneer u de btw effectief moet betalen aan de Staat
Vanaf het moment van opeisbaarheid verkrijgt de Schatkist haar recht op inning. Vanaf dat moment moet u de btw opnemen in de aangifte en ze effectief betalen.
- Het bepaalt welk btw‑tarief geldt bij tariefwijzigingen
Bij een wijziging van het btw‑tarief is uitsluitend het tijdstip van opeisbaarheid bepalend voor het toe te passen tarief. In overgangsperiodes kan een verkeerde datering ertoe leiden dat een foutief tarief wordt toegepast.
Laattijdige facturatie kan aanleiding geven tot sancties, zoals naheffingen en boetes, evenals administratieve correcties.
Wat is het belastbaar feit en het tijdstip van opeisbaarheid voor particulieren vs. niet particulieren?
Particulieren (fysieke personen)
Voor diensten die u verricht voor particulieren bent u niet verplicht een factuur uit te reiken. U mag dat wel doen indien u dat wenst en dit is in de praktijk ook aan te raden.
Voor diensten aan particulieren geldt steeds het stelsel van de incassering om te bepalen wanneer u de handeling in de btw‑aangifte moet opnemen. Ongeacht of u al dan niet een factuur aan de particulier hebt uitgereikt, wordt bij diensten aan particulieren de btw opeisbaar bij ontvangst van de betaling. De ontvangst van het geld - contant of via overschrijving - is dus bepalend voor het tijdvak waarin u de handeling in de btw‑aangifte moet opnemen.
Voorbeeld 1
U hebt op 25 januari een advies verleend aan een particuliere cliënt. Indien u ervoor kiest een factuur uit te reiken, moet deze worden opgesteld uiterlijk op de 15de dag van de maand die volgt op de maand waarin de dienst werd verricht, dus uiterlijk op 15 februari.
De cliënt betaalt uw ereloon en u ontvangt het geld op 15 maart. De datum van ontvangst (15 maart) is het moment waarop de btw opeisbaar wordt. U moet deze handeling dus opnemen:
- in de aangifte van maart (in te dienen op 20 april) indien u maandaangever bent, of
- in de aangifte van het eerste kwartaal (eveneens in te dienen op 20 april) indien u kwartaalaangever bent.
Voorbeeld 2
U vraagt op 10 maart per brief aan uw cliënt om een voorschot te betalen vóór de start van uw werkzaamheden, en u zult hiervoor geen factuur uitreiken (niet voor de provisie en evenmin bij de beëindiging van uw prestaties). De cliënt betaalt het voorschot en u ontvangt het geld op 2 april. Deze datum - de dag van ontvangst - is opnieuw bepalend voor de opeisbaarheid van de btw.
De betaling moet worden opgenomen in het dagboek van ontvangsten voor de maand april wanneer de cliënt contant betaalt. De omzet moet worden aangegeven:
- in de btw‑aangifte van april (in te dienen op 20 mei) indien u maandaangever bent, of
- in de btw‑aangifte van het tweede kwartaal (in te dienen op 20 juli, zonder rekening te houden met de vakantieregeling) indien u kwartaalaangever bent.
Niet-particulieren
Bij B2B‑diensten (diensten voor niet‑particulieren) vindt het belastbaar feit plaats op het moment waarop de dienst is verricht, met andere woorden wanneer de dienst voltooid is. De btw-administratie verduidelijkt dat een dienst als voltooid wordt beschouwd zodra de overeengekomen prestatie is afgerond. De btw wordt dus verschuldigd op het tijdstip waarop de dienst is voltooid of op het ogenblik waarop de uitvoering ervan eindigt. Voorbeelden hiervan zijn het moment waarop de juridische adviesverlening en begeleiding van een cliënt volledig is afgerond, of het moment waarop een gerechtelijke procedure ten einde komt.
Voor diensten waarvoor u verplicht bent een factuur uit te reiken, moet u eerst bepalen wat de hoofdoorzaak van opeisbaarheid is. Dit is het tijdstip waarop de dienst is verricht, met andere woorden: wanneer de dienst is voltooid. Wanneer u diensten verricht in het kader van een abonnementsformule, gaat het om zogenoemde doorlopende diensten. In dat geval ligt het tijdstip van opeisbaarheid op het einde van de overeengekomen afrekenings‑ of betalingsperiode. Dat betekent bijvoorbeeld het einde van de maand wanneer u maandelijks factureert, of het einde van het kwartaal wanneer u per kwartaal afrekent. Diensten die u verricht voor de overheid worden beschouwd als voltooid op het ogenblik waarop de advocaat in kennis wordt gesteld van de aanvaarding door de overheid van het definitieve bedrag. Op dat moment is de dienst voltooid en wordt de btw opeisbaar.
Enkele concrete voorbeelden kunnen verduidelijken wanneer een dienst als voltooid wordt beschouwd. Adviesverlening wordt als voltooid beschouwd zodra het advies effectief is verstrekt. Een gerechtelijke procedure is voltooid wanneer de procedure definitief tot een einde is gekomen. De uitvoering van vonnissen wordt geacht beëindigd te zijn wanneer alle uitvoeringshandelingen afgerond zijn. Wanneer een cliënt de opdracht voortijdig beëindigt, wordt de dienst op dat moment als voltooid beschouwd. Bij opeenvolgende of doorlopende diensten, zoals periodieke afrekeningen, ligt het moment van voltooiing op het einde van de betreffende afrekeningsperiode.
Naast de hoofdoorzaak van opeisbaarheid bestaat er ook een subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid, maar enkel wanneer deze zich voordoet vóór de hoofdoorzaak. Die subsidiaire oorzaak is het ontvangen van een betaling, bijvoorbeeld een voorschot. Dit betekent dat wanneer de klant een betaling verricht vóór de dienst is voltooid, de btw opeisbaar wordt op de dag van ontvangst van het voorschot. Betaalt de klant daarentegen niets vóór de voltooiing van de dienst, dan wordt de btw pas opeisbaar op het moment van voltooiing.
Zijn belastbaar feit en opeisbaarheid ook van belang bij buitenlandse cliënten?
Ook wanneer de advocaat diensten levert aan een buitenlandse klant (binnen of buiten de EU), moet hij steeds bepalen wanneer de dienst voltooid is (= belastbaar feit) en wanneer de btw opeisbaar wordt (= het moment waarop de klant btw moet voldoen of de advocaat moet factureren).
Bij diensten aan een buitenlandse belastingplichtige heeft dit wel een impact op de plaats van dienst, maar niet op de opeisbaarheid.
De plaats van de dienst wordt in dat geval bepaald door de locatie waar de buitenlandse afnemer gevestigd is. De advocaat factureert dan zonder Belgische btw, met de vermelding ‘btw verlegd/reverse charge’. De buitenlandse afnemer moet de btw zelf voldoen via de eigen btw‑aangifte.
De opeisbaarheid van zijn dienst blijft echter bepaald door de Belgische regels. Dat betekent dat de voltooiing van de dienst het belastbaar feit vormt en dat de btw formeel ‘opeisbaar’ wordt op dat moment, ook al bedraagt de Belgische btw effectief 0%.
De factuur moet ten laatste worden uitgereikt op de 15e dag van de maand die volgt op de opeisbaarheid, en moet - indien het om een EU‑klant gaat - worden opgenomen in de intracommunautaire opgave.
Wanneer een advocaat diensten verricht aan niet‑EU‑belastingplichtigen, ligt de plaats van dienst buiten de EU en is er dus geen Belgische btw verschuldigd. De opeisbaarheid blijft echter bepaald door de Belgische regels. Dit betekent dat er, omdat het om een B2B‑dienst gaat, een factuur moet worden uitgereikt en dat de factuurdatum gekoppeld blijft aan het belastbaar feit, namelijk het moment waarop de dienst voltooid is. De facturatieverplichting wordt dus nog steeds bepaald door het Belgische moment van opeisbaarheid.
Ook al rekent de advocaat bij buitenlandse B2B‑klanten geen Belgische btw aan, toch moet hij de opeisbaarheid kennen om tijdig de factuur uit te reiken, de dienst correct op te nemen in de intracommunautaire opgave (indien van toepassing) en de handeling te verwerken in zijn periodieke btw‑aangifte onder ‘verlegging’.
Wat bij privégebruik of gratis weggeven van goederen die beroepsmatig werden aangeschaft?
Wanneer de advocaat als btw‑belastingplichtige roerende goederen aankoopt met recht op aftrek van btw (zoals een pc, tablet, kantoormeubilair, printer, kopieertoestel, auto, enzovoort), maar deze goederen later wil bestemmen voor privégebruik van hemzelf, zijn personeel of derden of ze gratis wil weggeven, dan beschouwt de btw-wetgeving dit als een onttrekking.
Een onttrekking wordt gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel. Dat betekent dat de advocaat btw verschuldigd is op die onttrekking en dat hij hiervoor een stuk (verkoopfactuur) aan zichzelf moet opmaken. Dit document moet worden opgenomen in het verkoopjournaal en in de btw‑aangifte.
Ongeacht het tijdstip waarop de advocaat de goederen onttrekt, moet hij de btw berekenen op basis van de aankoopprijs of kostprijs van het betreffende goed, en dit op het moment van de onttrekking, rekening houdend met de staat waarin het goed zich op dat ogenblik bevindt.
De btw-administratie aanvaardt bovendien dat de advocaat de maatstaf van heffing ook kan bepalen volgens de herzieningstechniek die wordt toegepast bij een bestemmingswijziging.
Voorbeeld ter verduidelijking
Een advocaat heeft in 2024 een laptop gekocht voor 1.000 euro + 210 euro btw. Deze btw heeft hij volledig in aftrek gebracht omdat de laptop voor zijn beroepsactiviteit bestemd was.
In de loop van 2025 onttrekt hij de laptop en geeft hem aan zijn dochter. Op dat moment moet hij de aankoopwaarde van de laptop op het moment van de onttrekking bepalen, rekening houdend met de staat (ouderdom, gebruik) van het toestel en op die waarde 21% btw berekenen en afdragen.
De btw‑administratie aanvaardt ook dat hij de maatstaf van heffing mag bepalen volgens de herzieningsregels, zoals bij een bestemmingswijziging.
In dit voorbeeld betekent dit dat de advocaat na één jaar gebruik 4/5 van de oorspronkelijke waarde in rekening mag nemen, met name 4/5 van 1.000 euro (= 800 euro). Daarop is 21% btw (168 euro) verschuldigd. Deze 168 euro moet hij afdragen aan de schatkist.
Onttrekt hij de laptop na het vijfde jaar, dan moet hij nog steeds btw afdragen, maar kan hij niet langer gebruikmaken van de berekening op basis van vijfden. In dat geval houdt de btw‑administratie wel rekening met een waardevermindering in functie van de ouderdom, te bepalen onder toezicht van de administratie.
Hebben inkomsten uit vastgoed of financiële beleggingen een impact op het recht op aftrek van btw?
Inkomsten uit de verhuur van onroerend goed of uit financiële beleggingen zijn in beginsel vrijgesteld van btw. Dit betekent echter niet dat dergelijke inkomsten automatisch leiden tot een beperking van het recht op aftrek van btw.
Wanneer vastgoed of financiële inkomsten geen specifieke economische activiteit vormen en slechts een bijkomstig of incidenteel karakter hebben ten opzichte van de hoofdactiviteit van de advocaat of het advocatenkantoor, aanvaardt de btw-administratie dat zij buiten beschouwing blijven voor de berekening van de aftrek. In dat geval hebben deze vrijgestelde nevenactiviteiten geen invloed op het recht op aftrek voor de belaste advocatendiensten.
Anders is het wanneer deze verrichtingen een direct, permanent en noodzakelijk verlengstuk vormen van de economische activiteit. In die hypothese kunnen zij worden aangemerkt als een afzonderlijke economische activiteit, wat kan leiden tot een gemengde belastingplicht en een beperking van het recht op aftrek.
3.3. Teruggaaf
Wanneer heb ik recht op teruggaaf van btw?
Vanaf 1 mei 2026 wordt de btw-rekening-courant afgeschaft en vervangen door een btw-provisierekening. De btw-provisierekening is een digitale rekening waarop btw-tegoeden en betalingen worden beheerd.
Op deze rekening worden onder meer de niet-terugbetaalde btw-tegoeden en de bedragen die beschikbaar zijn voor de betaling van toekomstige btw-schulden geboekt. De administratie gebruikt deze bedragen automatisch voor de aanzuivering van verschuldigde btw. De belastingplichtige kan deze rekening raadplegen via MyMinfin.
Zowel btw-tegoeden uit een periodieke btw-aangifte als op de btw-provisierekening kunnen voor betaling teruggevraagd worden. Om terugbetaling te krijgen van het btw-tegoed uit de btw-aangifte moeten wel de nodige voorwaarden vervuld zijn (tijdig ingediende aangifte van de periode zelf en van de vorige zes maanden of twee kwartalen, minstens 50 euro, tijdig doorgeven van geldig bankrekeningnummer en tijdig antwoord in geval van een vraag om inlichtingen over het tegoed). Wanneer alle voorwaarden vervuld zijn, volgt de overschrijving, tenzij aanwending of inhouding voor andere schulden.
3.4. Sanctiemechanisme
Wat zijn de gevolgen wanneer ik mijn aangifteverplichtingen niet nakom?
Wanneer een periodieke btw‑aangifte niet tijdig wordt ingediend, kan de btw‑administratie na verloop van drie maanden een voorstel van aangifte opmaken. Dit voorstel is gebaseerd op het hoogste bedrag aan verschuldigde btw dat werd aangegeven in de twaalf maanden voorafgaand aan de betrokken aangifteperiode, met een wettelijk minimumbedrag. Kennisgeving van de vervangende aangifte gebeurt per gewone brief, met wettelijk vermoeden van ontvangst drie werkdagen na de afgifte van deze brief bij de aanbieder van de universele postdienst, behoudens tegenbewijs van de geadresseerde.
De belastingplichtige kan dit voorstel enkel betwisten door de ontbrekende btw‑aangifte alsnog in te dienen binnen een termijn van één maand na de kennisgeving. In dat geval wordt de vervangende aangifteprocedure stopgezet en geldt de ingediende aangifte als definitief.
Indien geen aangifte wordt ingediend binnen deze termijn, wordt het voorstel van vervangende aangifte definitief. De administratie kan in dat geval een proportionele boete van 15 % van de verschuldigde belasting opleggen. Ook wanneer de ontbrekende aangifte alsnog wordt ingediend binnen de maand, blijft het mogelijk dat de administratie een administratieve boete toepast.
Welke boetes kunnen worden opgelegd bij niet-indiening van de btw-aangifte en bij laattijdige betaling?
Het laattijdig indienen van de periodieke btw-aangifte leidt tot boetes. Voor zover er niet meer dan 5 maanden vertraging is, bedraagt de boete 100 EUR per maand vertraging met een maximum van 500 euro. Loopt de vertraging verder op, dan is er sprake van een niet-indiening. In dat geval worden progressieve boetes opgelegd, De boete bedraagt 500 euro per aangifte bij een eerste overtreding, 1.250 euro bij een tweede overtreding, 2.500 euro bij een derde overtreding en 5.000 euro per aangifte bij elke volgende overtreding.
Betaalt de btw-plichtige zijn aangifte niet op tijd, dan stuurt de fiscus een eerste betaalbericht, met informatie over het bedrag dat nog verschuldigd is en de toepasselijke interesten. Is dit bedrag niet betaald vóór de 10e van de maand na de betaaldatum, dan wordt er een boete opgelegd voor niet-betaling. Die bedraagt 5 % van de verschuldigde btw als de aangifte tijdig is ingediend en 10 % als ze te laat werd ingediend.
4. Btw op voorschotten, provisies, erelonen
4.1. Voorschotten, provisies en cashbetalingen
Is btw verschuldigd op cash ontvangen bedragen zonder voorafgaande factuur of provisienota?
Wanneer een advocaat van een cliënt een bedrag in contanten ontvangt ter gelegenheid van een consultatie, is hierover btw verschuldigd, ongeacht of het bedrag wordt beschouwd als ereloon of provisie.
In het uitzonderlijke geval dat de cliënt die in contanten betaalt een btw‑plichtige is of een niet‑btw‑plichtige rechtspersoon (zoals bepaalde overheidsinstanties), moet de advocaat een factuur uitreiken voor het ontvangen bedrag. Deze factuur moet uiterlijk worden uitgereikt op de 15de dag van de maand die volgt op de maand waarin het bedrag in contanten werd ontvangen. Op de factuur moeten het eigenlijke ereloon of de provisie (maatstaf van heffing) en de verschuldigde btw (tarief en bedrag) afzonderlijk worden vermeld.
Bij een particuliere cliënt is een advocaat niet verplicht om een factuur uit te reiken - al mag dat uiteraard wel. Wanneer geen factuur wordt uitgereikt, moet bij ontvangst van het contante bedrag een ontvangstbewijs worden afgegeven. Dat ontvangstbewijs moet overigens altijd worden uitgereikt voor contante betalingen, zelfs aan een btw‑plichtige of een rechtspersoon, ook wanneer later alsnog een factuur wordt uitgereikt.
Hoewel de btw‑wetgeving strikt genomen geen verplichting oplegt om een ontvangstbewijs uit te reiken, bestaat die verplichting wel in het kader van de directe belastingen. Daarnaast bepaalt KB nr. 1 inzake btw dat boekhoudkundige inschrijvingen moeten worden ondersteund door verantwoordingsstukken. Een ontvangstbewijs geldt zonder twijfel als zo’n verantwoordingsstuk.
Is btw verschuldigd op voorschotten die niet cash worden betaald?
Wanneer u een provisie vraagt voor nog te leveren prestaties aan een Belgische btw-plichtige cliënt of aan een niet-btw-plichtige rechtspersoon, zoals bepaalde overheidsinstellingen, wordt de btw verschuldigd op het moment dat de provisie of het voorschot wordt betaald. Dit geldt eveneens wanneer de provisie wordt gevraagd aan een particulier, ongeacht diens nationaliteit of woonplaats.
Het is aangewezen om vooraf een uitnodiging tot betaling (provisienota) aan de cliënt te sturen, waarop enkel het totaalbedrag wordt vermeld, zonder uitsplitsing tussen btw en maatstaf van heffing. Na betaling door de cliënt moet u uiterlijk op de 15de dag van de maand die volgt op de betaling een factuur uitreiken. Deze factuur moet een uitsplitsing bevatten van het ontvangen bedrag in de maatstaf van heffing en het btw-bedrag, wanneer de cliënt btw-plichtig is of een niet-btw-plichtige rechtspersoon betreft.
Wanneer u bijvoorbeeld een provisie van 2.500 euro exclusief btw wilt vragen, stelt u eerst een provisienota op waarin de cliënt wordt uitgenodigd om het globale bedrag van 3.025 euro te betalen. Op de provisienota hoeft u geen opsplitsing te maken tussen de provisie exclusief btw en de btw. Nadat het bedrag is ontvangen, moet u wel een factuur uitreiken waarin deze opsplitsing duidelijk wordt vermeld, namelijk 2.500 euro provisie en 525 euro btw.
Wanneer de cliënt een particulier is, bent u niet verplicht een factuur uit te reiken. U mag dit wel doen nadat u de betaling hebt ontvangen. Als u kiest voor het uitreiken van een factuur, kunt u ofwel het ontvangen bedrag uitsplitsen in de maatstaf van heffing (de provisie) en de verschuldigde btw, ofwel enkel het totale bedrag inclusief btw vermelden. In dat laatste geval moet u wel het toepasselijke btw‑tarief opnemen én de vermelding: ‘Verrichting met een particulier. Prijs gefactureerd inclusief btw’.
Wanneer u een provisie aanrekent aan een Belgische btw‑plichtige cliënt of aan een niet‑btw‑plichtige rechtspersoon en u verzendt geen provisienota of uitnodiging tot betaling maar kiest ervoor om de provisie voorafgaand aan de betaling te factureren, dan is btw verschuldigd op het moment van het uitreiken van die factuur. De btw wordt dus opeisbaar louter door het opstellen van de factuur waarin de provisie wordt aangerekend. De verschuldigde btw moet worden opgenomen in de btw‑aangifte van de maand of het kwartaal waarin de factuur werd uitgereikt. De btw moet vervolgens uiterlijk op de 20e dag (de 25e dag voor kwartaalaangevers) van de maand waarin die btw‑aangifte moet worden ingediend aan de Staat worden doorgestort. Dit geldt ook wanneer de cliënt op dat ogenblik de verschuldigde btw nog niet heeft betaald.
Is btw verschuldigd op een voorschot als waarborg in contentieuxdossiers?
Er is in principe géén btw verschuldigd over een provisie die louter de rol van waarborg (zekerheid) vervult in het kader van contentieux‑dossiers. Zolang de provisie geen betaling voor een prestatie vormt, maar enkel een zekerheidsstelling, is er geen oorzaak van btw‑opeisbaarheid.
Om provisies als waarborgen te kunnen behandelen zonder dat btw onmiddellijk opeisbaar wordt, moeten de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
1. De provisies moeten worden gestort op een aparte bankrekening van het advocatenkantoor (cliënten- of derdenrekening) en mogen slechts worden afgeboekt in de mate dat zij effectief worden aangewend voor de betaling van geleverde prestaties. De deontologische regels inzake het beheer van gelden op een derdenrekening moeten daarbij strikt worden nageleefd.
2. De provisies moeten tot op het ogenblik van hun aanwending voor de betaling van advocatendiensten als schuld geboekt blijven op het passief van de balans van het advocatenkantoor.
3. In de algemene voorwaarden van het advocatenkantoor moet duidelijk worden bepaald dat dergelijke provisies de kwalificatie van waarborg hebben en slechts zullen worden gebruikt in de mate dat (eventueel tussentijds) advocatenprestaties worden afgerekend.
4. Indien na afsluiting van de gerechtelijke procedure en de eindafrekening nog provisies openstaan, moeten deze onverwijld worden terugbetaald aan de cliënt.
Indien aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan, is geen btw verschuldigd op het moment dat de provisie wordt ontvangen. In dat geval wordt de btw pas opeisbaar op het ogenblik waarop zij onder normale omstandigheden opeisbaar zou worden, met name wanneer de dienst werd voltooid of wanneer de periode waarop een (tussentijdse) afrekening betrekking heeft, is verstreken.
Voorbeeld: behandeling van een waarborgprovisie en opeisbaarheid van btw
Wanneer u een bedrag van 15.000,00 euro laat borgen onder de hierboven vermelde voorwaarden, is geen btw verschuldigd bij de ontvangst van dit bedrag. Het bedrag wordt immers geboekt als waarborg op een cliënten- of derdenrekening en blijft op het passief van de balans staan totdat het effectief wordt aangewend voor prestaties.
Indien u enige tijd later een eerste provisienota uitreikt van 5.000,00 euro exclusief btw, en u vervolgens 6.050,00 euro van de derdenrekening of cliëntenrekening naar de gewone kantoorrekening overboekt, wordt de btw opeisbaar op dat moment. U moet dan 1.050,00 euro btw opnemen in de btw‑aangifte van de maand of het kwartaal waarin de btw opeisbaar werd en deze uiterlijk op de 20e van de daaropvolgende maand (de 25e dag voor kwartaalaangevers) doorstorten aan de Staat.
Wanneer in het aangerekende bedrag voorgeschoten bedragen in de zin van artikel 28, 5° Wbtw zijn inbegrepen (zoals griffierechten, deurwaarderskosten, enz.), is geen btw verschuldigd op deze doorgerekende voorschotten. In dat geval wordt de btw uitsluitend berekend op het deel van het bedrag dat betrekking heeft op de eigenlijke advocatenprestaties. Zo zal in het voorbeeld slechts 840,00 euro btw verschuldigd zijn indien van de provisienota van 5.000,00 euro exclusief btw 1.000,00 euro betrekking heeft op voorschotten en 4.000,00 euro op eigenlijke erelonen.
Wat moet ik doen indien de cliënt na ontvangst van een factuur contant betaalt?
Wanneer uw prestaties worden verricht ten behoeve van een niet‑particuliere cliënt, bent u verplicht uiterlijk de vijftiende dag van de maand die volgt op het verrichten van de dienst een factuur uit te reiken. Deze factuur moet zowel de maatstaf van heffing, namelijk het ereloon, als het daarop verschuldigde btw‑bedrag vermelden. De verschuldigde btw moet vervolgens worden voldaan uiterlijk bij het verstrijken van de indieningstermijn van de btw‑aangifte over de periode waarin de dienst daadwerkelijk werd verricht, ongeacht of de cliënt het factuurbedrag of de btw reeds heeft betaald.
Wanneer uw cliënt een particulier is en u toch een factuur uitreikt, wordt de btw pas opeisbaar in de periode waarin het ereloon effectief door de cliënt werd betaald. Zolang de particuliere cliënt niet tot betaling overgaat, hoeft er dus geen btw te worden afgedragen. Dit wijkt af van de regeling voor niet‑particulieren, waar de btw verschuldigd wordt door het louter verrichten van de dienst en de verplichte facturatie binnen vijftien dagen daarna.
Wanneer de cliënt het factuurbedrag contant vereffent nadat de factuur reeds werd uitgereikt, moet u een ontvangstbewijs opmaken en aan de cliënt overhandigen. Het is aangewezen in dit ontvangstbewijs te verwijzen naar het nummer van de betreffende factuur. Hoewel de btw‑wetgeving strikt genomen geen verplichting oplegt om een ontvangstbewijs uit te reiken, blijft dit wel verplicht vanuit het oogpunt van de directe belastingen. In de praktijk wordt dan ook steeds een ontvangstbewijs opgemaakt bij contante betalingen van honoraria of kosten, zowel door particulieren als door niet‑particuliere cliënten.
4.2. Erelonen
Is btw verschuldigd over afsluitende erelonen?
Wanneer uw dienstverlening is voltooid en u een afsluitend ereloon aanrekent, is hierover btw verschuldigd. Dat geldt ook voor succesfees die deel uitmaken van het ereloon. Indien uw cliënt een btw‑plichtige onderneming is of een niet‑btw‑plichtige rechtspersoon, zoals bepaalde overheidsinstellingen, bent u verplicht een factuur uit te reiken uiterlijk de vijftiende dag van de maand die volgt op de maand waarin uw prestaties zijn beëindigd. Voor deze afsluitende factuur hoeft u geen voorafgaande uitnodiging tot betaling te versturen, in tegenstelling tot wat geldt bij provisies en u moet evenmin wachten op een betaling door de cliënt.
De btw moet worden opgenomen in de btw‑aangifte van de periode waarin de dienst werd verricht, en vervolgens aan de Staat worden doorgestort ongeacht of de cliënt het bedrag al heeft betaald. Wanneer uw werkzaamheden bijvoorbeeld in januari afgerond zijn en u kwartaalindiener bent, moet u uiterlijk op 15 februari een factuur uitreiken en moet de verschuldigde btw uiterlijk op 25 april worden doorgestort.
Voor particuliere cliënten kunt u een factuur uitreiken, maar u bent daartoe niet verplicht. Indien u dit wel doet, geldt dezelfde factureringstermijn als hierboven vermeld, namelijk uiterlijk de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin de vergoeding opeisbaar wordt, wat voor particulieren overeenstemt met het tijdstip van betaling. In tegenstelling tot de regeling voor niet‑particuliere cliënten, wordt de btw in dat geval pas opeisbaar in de btw‑periode waarin de betaling daadwerkelijk door de cliënt werd uitgevoerd.
Het tijdstip waarop een dienst geacht wordt voltooid te zijn, hangt af van de aard van de opdracht. Bij een mondeling advies is de dienst voltooid zodra het advies aan de cliënt is verstrekt. Een schriftelijk advies, inclusief de voorbereidende werkzaamheden, wordt als één globale dienst beschouwd die voltooid is op het moment waarop het eindresultaat aan de cliënt wordt meegedeeld. Voor gerechtelijke procedures gaat de btw‑administratie ervan uit dat de dienst voltooid is wanneer de procedure definitief wordt beëindigd door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest, of wanneer het geschil wordt beëindigd door een dading. Indien de procedure eerder wordt stopgezet door de cliënt, of indien de cliënt na advies beslist geen procedure in te stellen, wordt de dienst op dat ogenblik als voltooid beschouwd.
Wanneer de opdracht van de advocaat ook de uitvoering van een gerechtelijke beslissing omvat, bijvoorbeeld wanneer moet worden overgegaan tot invordering, wordt de dienst pas voltooid wanneer ook deze uitvoeringsfase is afgerond. Als ultieme grens kan worden aangenomen dat de dienst uiterlijk voltooid wordt op het moment waarop de burgerrechtelijke verjaring van de aansprakelijkheid van de advocaat begint te lopen, doorgaans het moment waarop de cliënt ondubbelzinnig een einde maakt aan het mandaat.
Moet ik btw berekenen over de rechtsplegingsvergoeding?
De rechtsplegingsvergoeding (RPV) is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de partij die in het gelijk wordt gesteld. Het is een wettelijk vastgelegd bedrag dat door de verliezende partij wordt betaald aan de winnende partij (of via diens advocaat) als onderdeel van de gerechtskosten. Omdat er geen dienst wordt verricht door de advocaat van de winnende partij aan de verliezende partij, is de RPV niet aan btw onderworpen.
Hoewel de RPV zelf niet aan btw is onderworpen, is btw wél verschuldigd op het volledige bedrag van het ereloon dat de advocaat aan de eigen cliënt aanrekent. Wanneer de cliënt de volledige erelonen voldoet en daarbij geheel of gedeeltelijk de RPV in mindering brengt, verandert dit niets aan de btw-grondslag: op het volledige ereloon blijft btw verschuldigd, ook wanneer de RPV (gedeeltelijk) als betaling wordt gebruikt.
Stel dat een ereloon van 2.500 euro exclusief btw wordt aangerekend en er een RPV van 1.210 euro via de derdenrekening aan de advocaat wordt betaald. De advocaat mag, mits toestemming van de cliënt, deze RPV aanwenden voor de betaling van zijn erelonen en kosten. Dit heeft geen invloed op de verschuldigde btw, die steeds wordt berekend op de volledige maatstaf van heffing (2.500 euro). Op de factuur moet het volledige ereloon van 2.500 euro worden vermeld, vermeerderd met 525 euro btw (21%), zodat het totaal 3.025 euro bedraagt. Indien de RPV reeds vóór of op het moment van facturatie werd ontvangen, kan deze als betaling in mindering worden gebracht op het totaal van 3.025 euro. De ontvangen 1.210 euro wordt dan proportioneel toegerekend op zowel het ereloon (1.000 euro) als de btw (210 euro), zodat een saldo van 1.815 euro overblijft (1.500 euro ereloon + 315 euro btw).
Wanneer een cliënt het volledige openstaande ereloon betaalt en daarbij geheel of gedeeltelijk afstand doet van de gerecupereerde RPV ten voordele van de advocaat, wordt het afgestane deel beschouwd als een bijkomende vergoeding voor de geleverde diensten, die aan btw is onderworpen. Het is irrelevant of deze afstand bij aanvang van de procedure werd overeengekomen of pas achteraf: in beide gevallen vormt het bedrag dat de advocaat mag behouden een tegenprestatie voor zijn dienstverlening en is btw verschuldigd. De RPV of het deel ervan dat door de cliënt wordt overgelaten aan de advocaat, moet worden aangemerkt als ereloon inclusief btw, tenzij advocaat en cliënt uitdrukkelijk anders overeenkomen en de cliënt naast de afgestane RPV ook nog de verschuldigde btw afzonderlijk betaalt.
Wanneer een cliënt afstand doet van een toegekende RPV van 1.210 euro ten voordele van de advocaat, vormt dit in principe een bijkomende vergoeding voor de geleverde diensten. Op het bedrag van de afgestane RPV wordt btw geacht te zijn verschuldigd, zodat de advocaat in beginsel 210 euro btw moet afdragen. Enkel wanneer uitdrukkelijk is afgesproken dat de cliënt boven op de afgestane RPV nogmaals de verschuldigde btw betaalt, wordt het bedrag niet als btw-inbegrepen beschouwd.
Het feit dat het ontvangen bedrag aan RPV geheel of gedeeltelijk aan btw onderworpen is wanneer de cliënt dit bedrag aan de advocaat overlaat, heeft geen enkele invloed op het bedrag van de RPV dat door de verliezende partij verschuldigd is. De RPV blijft een wettelijk vastgelegd forfaitair bedrag.
Hoe verwerk ik de btw op erelonen en provisies verschuldigd door een buitenlandse cliënt?
Particulieren binnen en buiten de EU
Wanneer u erelonen of provisies aanrekent aan een particulier die woonachtig is of zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft in een ander EU‑land, gelden dezelfde regels als voor Belgische cliënten. U moet dus Belgische btw aanrekenen op het ereloon of de provisie.
Woont de particuliere cliënt buiten de EU, dan moet geen btw worden aangerekend.
Indien u toch een factuur opstelt, moet u daarop vermelden: ‘geen btw – dienst buiten de E.U.’.
Vluchtelingen en gedetineerden uit niet‑EU‑landen
Volgens de btw‑administratie primeert bij deze personen hun gebruikelijke verblijfplaats.
Verblijft de vluchteling tijdens de procedure in België, dan wordt België als gebruikelijke verblijfplaats beschouwd. Dit geldt eveneens voor gedetineerden uit niet‑EU‑landen die geen woonplaats in België hebben, maar in een Belgische gevangenis verblijven. In beide gevallen moet dus Belgische btw worden aangerekend, tenzij de dienst onder een vrijstelling valt.
Buitenlandse btw‑plichtigen en buitenlandse rechtspersonen
De plaats van de dienst (en dus waar btw verschuldigd is) wordt niet altijd bepaald door waar de dienstverrichter de dienst effectief uitvoert. Wanneer uw cliënt een buitenlandse btw‑plichtige is of een buitenlandse niet‑belastingplichtige rechtspersoon (bijvoorbeeld bepaalde overheidsinstellingen), dan wordt de dienst voor btw‑doeleinden gelokaliseerd in het land waar de cliënt gevestigd is of waar diens vaste inrichting gelegen is wanneer de dienst voor die inrichting wordt verricht. In dat geval is geen Belgische btw verschuldigd wanneer het gaat om een andere EU‑lidstaat. De buitenlandse btw moet door de cliënt zelf worden voldaan (verlegging van heffing). Als Belgische advocaat reikt u dan een factuur uit zonder Belgische btw, met de vermelding:
‘btw verlegd’, en bij voorkeur ook ‘autoliquidation’ (FR) of ‘reverse charge’ (EN).
Cliënten buiten de EU
Wanneer de cliënt buiten de EU gevestigd is, geen vaste inrichting binnen de EU heeft en de dienst ook niet voor een dergelijke vast inrichting wordt verricht, is binnen de EU geen btw verschuldigd. Wel kan in het land van vestiging van de cliënt een gelijkaardige belasting van toepassing zijn.
Diensten met betrekking tot onroerende goederen
Voor diensten die verband houden met onroerende goederen, zoals het opstellen van een overeenkomst voor de overdracht van een onroerend goed, geldt dat de dienst plaatsvindt in het land waar het onroerend goed gelegen is. Indien het onroerend goed in een andere EU‑lidstaat gelegen is, moet daar btw worden voldaan.
Arbitrageprestaties
Voor arbitrageprestaties aan particulieren die buiten de EU wonen, is Belgische btw verschuldigd. Wanneer de cliënt echter een btw‑plichtige of een niet‑btw‑plichtige rechtspersoon is, wordt de btw geheven in het land waar de cliënt gevestigd is. Indien de dienstverlening wordt verricht ten behoeve van een vaste inrichting van een buitenlandse btw‑plichtige of rechtspersoon, is btw verschuldigd in het land waar die vaste inrichting zich bevindt.
5. Maatstaf van heffing
Op welk bedrag bereken ik de heffing van de btw?
Als algemeen uitgangspunt geldt dat u btw moet berekenen op alles wat u als advocaat ontvangt of moet ontvangen als tegenprestatie voor uw diensten. De btw‑wetgeving omschrijft dit als de ‘maatstaf van heffing’, die in principe het volledige bedrag omvat dat de cliënt betaalt, behoudens een strikt beperkt aantal uitzonderingen.
De btw-administratie verduidelijkt dat de belasting wordt berekend over alles wat de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie de dienst wordt verstrekt en dat alle door de advocaat gemaakte en aan de cliënt doorgerekende kosten tot deze maatstaf behoren. Dat betekent dat het volledige ereloon onder de btw valt, ongeacht de wijze waarop het wordt berekend. Het maakt dus geen verschil of het gaat om een vast ereloon, een ereloon op basis van uurtarieven, een succesfee, een resultaatgebonden vergoeding of een andere variabele formule. Ook alle algemene kosten die u aan de cliënt doorrekent - zoals administratiekosten, kopiekosten, verplaatsingskosten, een kantoorforfait, dossierkosten en communicatiekosten - maken deel uit van de maatstaf van heffing, aangezien deze samen met de hoofddienst worden aangerekend.
Wanneer u provisies of voorschotten ontvangt die fungeren als (gedeeltelijke) betaling voor prestaties, is btw verschuldigd op het ontvangen bedrag vanaf het moment van de betaling. Ook bijkomende vergoedingen zoals abonnementskosten, permanentievergoedingen of andere aanvullende erelonen worden beschouwd als tegenprestatie voor uw diensten en vallen daardoor binnen de btw‑grondslag.
Niet alle bedragen behoren echter tot de maatstaf van heffing. Sommen die door u worden voorgeschoten in naam en voor rekening van de cliënt vallen buiten de btw‑grondslag, op voorwaarde dat de oorspronkelijke factuur op naam van de cliënt staat en dat u het bedrag zonder enige marge doorrekent. Voorbeelden hiervan zijn rolrechten, griffierechten, registratierechten, deurwaarderskosten op naam van de cliënt, notariskosten of expertisekosten die rechtstreeks betrekking hebben op de cliënt. De rechtsplegingsvergoeding behoort evenmin tot de maatstaf van heffing omdat zij een schadevergoeding is en geen tegenprestatie voor een prestatie. Ook waarborg‑ of zekerheidsprovisies zijn niet aan btw onderworpen zolang zij niet worden aangerekend als betaling voor geleverde diensten.
Is de doorrekening van kosten, zoals verplaatsingskosten, kantoorkosten, kosten van verzekering en andere onderworpen aan de btw?
Zelfs wanneer kosten afzonderlijk of geïndividualiseerd aan de cliënt worden doorgerekend, volgen zij in principe het btw‑regime dat geldt voor de facturatie van de erelonen voor de geleverde advocatenprestaties. Voorwaarde is dat deze kosten onlosmakelijk verbonden zijn met die prestaties, zoals bijvoorbeeld verplaatsingskosten die worden aangerekend voor een bespreking ter plaatse. Ook wanneer dergelijke kosten op zichzelf vrijgesteld zouden zijn van btw, worden zij bij doorrekening in het kader van advocatenprestaties toch aan btw onderworpen. Dit geldt bijvoorbeeld voor bepaalde verzekeringskosten of financiële kosten die functioneel samenhangen met de geleverde diensten. Ook portkosten en postzegels die door de advocaat aan de cliënt worden doorgerekend, zijn in beginsel aan btw onderworpen. Dit geldt zowel wanneer deze kosten deel uitmaken van een forfaitaire brief- of dossierkost als wanneer zij afzonderlijk op de factuur worden vermeld.
Een andere behandeling dringt zich op wanneer kosten werkelijk los van enige advocatenprestatie worden doorgerekend, of wanneer deze kosten voor de cliënt een zelfstandige finaliteit hebben die losstaat van de prestatie die door het ereloon wordt gedekt. In dat geval wordt de advocaat vanuit btw‑oogpunt beschouwd als een commissionair: hij wordt geacht de door hem ontvangen goederen of diensten zelf te hebben geleverd. De btw‑behandeling van elke afzonderlijk doorgerekende kost moet dan op haar eigen merites worden beoordeeld, zowel wat betreft de al dan niet toepasselijkheid van btw als het toepasselijke tarief. Wanneer een kost in die context op zichzelf niet aan btw is onderworpen, blijft de doorrekening daarvan in beginsel eveneens buiten de btw‑heffing, al moet dit altijd concreet worden beoordeeld in functie van de aard van de kost en de omstandigheden van de doorrekening.
De vraag of er sprake is van een afzonderlijke doorgerekende kost dan wel van een kost die deel uitmaakt van de vergoeding voor advocatenprestaties, is telkens een feitenkwestie. Het louter afzonderlijk factureren van dergelijke kosten volstaat op zichzelf niet om deze los te koppelen van de btw‑heffing op het ereloon. Doorslaggevend is de economische realiteit: de mate waarin de kost zelfstandig staat ten opzichte van de hoofdprestatie en voor de cliënt een eigen, afzonderlijk belang heeft.
Zijn voorgeschoten kosten aan btw onderworpen?
De doorrekening van door u voor uw cliënt voorgeschoten kosten is niet aan btw onderworpen wanneer aan vier voorwaarden is voldaan: (1) de cliënt moet juridisch schuldenaar zijn van het voorgeschoten bedrag, (2) de kost moet door de derde op naam en voor rekening van de cliënt zijn gefactureerd, (3) u moet de kost daadwerkelijk in naam en voor rekening van de cliënt hebben voorgeschoten en (4) de doorrekening moet gebeuren voor precies hetzelfde bedrag, zonder enige toeslag of marge. Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, gaat het om een loutere financiële verrichting die niet binnen de maatstaf van heffing valt.
Als voorbeelden van dergelijke voorschotten gelden onder meer rolrechten op naam van de cliënt die door u worden betaald, de kosten en erelonen van gerechtsdeurwaarders wanneer deze in naam en voor rekening van de cliënt optreden, de kosten en erelonen van notarissen onder dezelfde voorwaarde en de kosten en erelonen van andere advocaten voor zover zij rechtstreeks op naam van de cliënt handelen en factureren. Dit moet worden onderscheiden van situaties waarin een derde advocaat optreedt als onderaannemer van uw kantoor, want in dat geval bent u zelf de juridische opdrachtgever en kunnen de kosten niet als voorschotten worden beschouwd. Ook belastingen die u in naam en voor rekening van de cliënt betaalt, registratierechten en verzekeringspremies voor een door u afgesloten verzekering op naam en voor rekening van de cliënt kwalificeren als zuivere voorschotten.
De doorrekening van dergelijke op naam en voor rekening van de cliënt voorgeschoten bedragen vereist in principe geen factuur voor btw‑doeleinden, aangezien dit niet als een dienst wordt beschouwd maar als een financiële handeling. Indien toch een document wordt opgesteld, bijvoorbeeld in de vorm van een factuur, debetnota of ander document, is het aangewezen uitdrukkelijk te vermelden dat het om een niet aan btw onderworpen voorschot gaat overeenkomstig artikel 28, 5° van het Btw‑Wetboek.
Algemene werkingskosten zoals loonkosten of telefoonkosten kunnen daarentegen niet als voorschotten worden aangemerkt, zelfs niet wanneer zij afzonderlijk worden aangerekend, omdat zij geen schulden van de cliënt betreffen.
Omdat een advocaat bij de ontvangst van een provisie niet altijd nauwkeurig kan bepalen welk deel van het ontvangen bedrag bestemd is voor het dekken van werkelijke voorschotten, heeft de btw‑administratie een praktische tolerantie ingevoerd. Zij aanvaardt dat voorlopig 50 procent van de ontvangen provisie buiten de btw kan worden gehouden. Zodra het exacte bedrag van de voorgeschoten sommen gekend is, moet echter een regularisatie worden uitgevoerd zodat enkel de werkelijk aan de cliënt toegerekende voorschotten buiten de btw‑heffing blijven.
Hoe verwerk ik het ereloon en de kosten van een gerechtsdeurwaarder die optreedt voor één of meerdere van mijn cliënten?
Wanneer een gerechtsdeurwaarder optreedt voor één of meerdere van uw cliënten, verricht deze btw‑belaste dienstprestaties ten behoeve van die cliënten. De cliënten treden immers op als verzoekende partij tegenover de gerechtsdeurwaarder. Daarom is het essentieel dat de factuur van de gerechtsdeurwaarder wordt uitgereikt op naam van de betrokken cliënt(en). De factuur moet dus de correcte identificatiegegevens van de cliënt(en) vermelden, zoals naam, adres en - indien van toepassing - het btw‑nummer.
De factuur mag in geen geval op naam van de advocaat worden opgemaakt. Het is wel toegelaten dat de factuur fysiek naar het kantooradres van de advocaat wordt verzonden, bijvoorbeeld om de administratieve opvolging te vergemakkelijken. In dat geval kan de advocaat het betaalde bedrag doorrekenen aan de cliënt als een voorgeschoten kost in de zin van artikel 28, 5° van het Btw‑Wetboek, op voorwaarde dat alle wettelijke voorwaarden voor een zuiver voorschot zijn vervuld.
Hoe ga ik voor btw-doeleinden te werk indien ik optreed als mandataris van een onbeheerde nalatenschap?
De algemeen geldende btw‑principes zijn volledig van toepassing op de uitoefening van mandaten over onbeheerde nalatenschappen. De bijzondere regeling voor mandatarissen ‘ad hoc’ of de btw‑vrijstellingen voor maatschappelijk werk of sociale dienstverlening, zoals voorzien in artikel 44, § 2, 2° en 5° van het Btw‑Wetboek, zijn hierop niet van toepassing.
Dit betekent dat de vergoeding die een advocaat ontvangt voor het optreden als curator of gerechtelijk bewindvoerder over een onbeheerde nalatenschap in principe aan 21% btw is onderworpen. Wanneer u optreedt als mandataris in deze context - bijvoorbeeld als curator over een onbeheerde nalatenschap, curator over de roerende goederen of als gerechtelijk bewindvoerder - moet u de gewone btw‑regels toepassen en dus 21% btw aanrekenen op alle vergoedingen die u als tegenprestatie voor uw diensten ontvangt.
Indien de betrokken persoon is overleden en de erfgenamen de nalatenschap hebben verworpen, moet u uw prestaties factureren aan de Belgische Staat, aangezien die in dat geval de rechtsonderhorige is die de nalatenschap beheert.
Is btw verschuldigd over de vergoeding die ik ontvang voor het zetelen in administratieve rechtscolleges, tuchtraden of andere organen van publiek- of privaatrechtelijke rechtspersonen?
De btw‑behandeling van deze activiteiten hangt af van de hoedanigheid waarin u optreedt, met name of u handelt als natuurlijke persoon of als rechtspersoon. Wanneer u als natuurlijke persoon zitting neemt in administratieve rechtscolleges, tuchtraden of andere organen van publiek‑ of privaatrechtelijke rechtspersonen, wordt u geacht te functioneren binnen een band van ondergeschiktheid ten aanzien van de rechtspersoon die u het mandaat heeft toevertrouwd. In dat geval wordt u niet geacht zelfstandig te handelen en blijven uw handelingen buiten de werkingssfeer van de btw. Er is dan geen btw verschuldigd op de ontvangen vergoedingen.
Wanneer dergelijke mandaten daarentegen door een rechtspersoon worden uitgeoefend, zijn deze activiteiten principieel aan 21% btw onderworpen.
Kan een vergoeding voor een mandaat binnen een balie of orde worden geretrocedeerd aan een advocatenvennootschap?
Wanneer een mandaat binnen een balie, orde of andere beroepsorganisatie intuitu personae wordt toegekend aan een natuurlijke persoon, wordt die natuurlijke persoon geacht het mandaat persoonlijk uit te oefenen. De vergoeding voor dat mandaat komt in beginsel dan ook toe aan de natuurlijke persoon die als mandataris werd benoemd.
De omstandigheid dat de mandataris de ontvangen vergoeding geheel of gedeeltelijk afstaat aan een advocatenvennootschap (retrocessie), betekent op zich niet dat die vennootschap voor btw-doeleinden als verrichter van de mandaatprestatie wordt beschouwd. Voor de toepassing van de btw wordt immers in beginsel gekeken naar wie het mandaat daadwerkelijk uitoefent en niet naar wie uiteindelijk het economische voordeel van de vergoeding geniet.
Indien het mandaat uitsluitend door de natuurlijke persoon wordt uitgeoefend en de advocatenvennootschap zelf geen mandataris is, kan de retrocessie van de vergoeding niet zonder meer worden gelijkgesteld met een door de vennootschap verrichte dienst. Het enkele feit dat de vergoeding geheel of gedeeltelijk bij de vennootschap terechtkomt, volstaat dus niet noodzakelijk om daaruit af te leiden dat de vennootschap btw moet aanrekenen op de mandaatvergoeding (Brussel, 4 mei 2016.
Is over verrichtingen via de derdenrekening btw verschuldigd?
De verrichtingen die plaatsvinden via de derdenrekening zijn niet aan btw onderworpen, omdat zij geen vergoeding vormen voor een advocatendienst maar louter betrekking hebben op het tijdelijk beheren van gelden die toekomen aan cliënten of derden. Het gaat om zuivere financiële handelingen zonder tegenprestatie, waardoor er geen maatstaf van heffing bestaat. Dit verandert niet wanneer het ereloon van de advocaat – met respect voor de deontologische regels ter zake - wordt betaald met middelen die op de derdenrekening staan. Het ereloon zelf blijft in dat geval volledig aan btw onderworpen, ongeacht de bron van de betaling. Het loutere feit dat de betaling plaatsvindt vanaf van uw derdenrekening, heeft daarop geen invloed.
Zijn pro Deo-vergoedingen aan de btw onderworpen?
Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 juli 2016 zouden advocatendiensten in het kader van rechtsbijstand in principe niet langer kunnen worden belast aan 0%. De btw-administratie heeft vervolgens bij beslissing nr. E.T. 131.005 van 23 december 2016 bepaald dat pro Deo‑diensten van advocaten en gerechtsdeurwaarders in principe vanaf 1 april 2017 aan 21% btw zouden worden onderworpen. Belgiëheeft de toepassing van de beslissing evenwel herhaaldelijk uitgesteld, waardoor in de praktijk nog steeds het bijzondere btw‑nultarief geldt voor juridische tweedelijnsbijstand.
De toepassing van het btw‑nultarief geldt eveneens voor situaties waarin de rechtzoekende slechts gedeeltelijk kosteloosheid geniet. Zowel het deel van de vergoeding dat door de overheid wordt betaald als het deel dat door de rechtzoekende zelf wordt gedragen, valt onder het nultarief.
Ook de rechtsplegingsvergoeding die door de verliezende partij wordt betaald aan de advocaat van een rechtzoekende die tweedelijnsbijstand geniet, valt onder het btw‑nultarief, voor zover die vergoeding als ereloon van de advocaat wordt beschouwd. Dat is zo, zelfs als de advocaat geen puntenaanvraag indient en de FOD Justitie dus geen rol speelt in de betaling.
Hoewel op pro Deo‑prestaties geen btw wordt geheven, behouden advocaten en advocaat‑stagiairs het recht om als gewone belastingplichtigen voorbelasting af te trekken. Het nultarief vormt dus geen belemmering voor de uitoefening van het recht op aftrek.
De btw‑vrijstelling voor maatschappelijke of sociale dienstverlening van artikel 44, § 2, 2° of 5° van het Btw‑Wetboek is niet van toepassing op pro Deo‑diensten. Het sociaal karakter van de prestatie volstaat niet om onder de vrijstelling te vallen. Het enige relevante regime dat geldt, is het bijzondere btw‑nultarief.
Zijn vergoedingen ontvangen voor deelname aan de eerstelijnsbijstand aan btw onderworpen?
Wanneer u als advocaat juridische eerstelijnsbijstand verleent, is de organiserende Commissie voor Juridische Bijstand (CJB) uw medecontractant en niet de rechtzoekende die het advies ontvangt. Op deze prestaties is het bijzonder btw‑nultarief van toepassing. Dit betekent dat u geen btw hoeft aan te rekenen op de factuur die u aan de CJB richt, terwijl uw recht op aftrek van voorbelasting volledig behouden blijft.
Zijn vergoedingen voor Salduz-dienstprestaties aan btw onderworpen?
Salduz‑dienstprestaties zijn in principe aan btw onderworpen. De medecontractant van de advocaat bij deze prestaties is steeds de verhoorde persoon zelf. Wanneer de verhoorde recht heeft op juridische tweedelijnsbijstand, ongeacht of deze volledig of gedeeltelijk kosteloos is, geldt het bijzonder btw‑nultarief.
Indien de verhoorde daarentegen geen recht heeft op juridische tweedelijnsbijstand, zijn de Salduz‑prestaties van de advocaat aan het standaardtarief van 21% btw onderworpen. Het al dan niet genieten van tweedelijnsbijstand is dus bepalend voor de btw‑behandeling van deze vorm van bijstand.
Is het door de cliënt betaalde ereloon inclusief of exclusief btw?
Het door de cliënt betaalde ereloon wordt in principe steeds geacht exclusief btw te zijn, tenzij u met uw cliënt uitdrukkelijk en ondubbelzinnig een ‘btw‑inclusief’ bedrag hebt afgesproken. Bij het opstellen van een factuur vermeldt u normaal gezien het bedrag van het ereloon en daarnaast, afzonderlijk, het bedrag van de verschuldigde btw.
De vraag of een ereloon inclusief of exclusief btw is, speelt vooral een rol bij ereloonbetwistingen. Indien u de cliënt niet duidelijk hebt geïnformeerd dat het aangerekende bedrag exclusief btw is, kan de cliënt zich ertegen verzetten om het bijkomende btw‑bedrag te betalen. Wanneer u bijvoorbeeld 100 euro voor een prestatie aanrekent zonder te vermelden dat hierop nog btw verschuldigd is, kan de cliënt aanvoeren dat het bedrag van 100 euro een btw‑inclusief bedrag is en dus weigeren 21% bovenop dat bedrag te betalen. In het burgerlijk recht geldt immers een vermoeden dat een prijs btw‑inclusief is, tenzij anders is overeengekomen. Dat vermoeden speelt des te sterker bij cliënten die als particulier handelen.
De btw‑wetgeving regelt niet de civielrechtelijke verhouding tussen advocaat en cliënt. Zij bepaalt enkel wie btw moet afdragen en op welk bedrag de btw wordt berekend. De vraag of de cliënt het btw‑bedrag verschuldigd is wanneer dit niet vooraf duidelijk werd afgesproken, is dus een burgerrechtelijke kwestie.
Om discussies te vermijden, is het belangrijk om duidelijke afspraken te maken, bijvoorbeeld via opdrachtbrieven of algemene voorwaarden. Daarin kan expliciet worden opgenomen dat alle erelonen exclusief btw zijn, zodat altijd duidelijk is dat 21% btw bovenop het ereloon wordt aangerekend.
Is btw verschuldigd op de terugbetaling van de baliebijdrage van een advocaat-stagiair of medewerker door de stagemeester of het advocatenkantoor)
De balie factureert de jaarlijkse baliebijdrage rechtstreeks aan de individuele advocaat die lid is van de orde. Omdat balies openbare instellingen zijn in de zin van artikel 6 van het Btw‑wetboek, is deze bijdrage niet aan btw onderworpen. De balie brengt dus nooit btw in rekening op deze bijdrage.
In sommige advocatenkantoren worden de baliebijdragen van vennoten, medewerkers of stagiairs (deels of volledig) gedragen door het kantoor. Wanneer een advocaat met btw‑plicht - dit geldt voor vennoten, medewerkers en stagiairs die op zelfstandige basis werken - de baliebijdrage betaalt en deze nadien wordt terugbetaald door het kantoor of wanneer het kantoor de bijdrage rechtstreeks betaalt en definitief voor eigen rekening neemt, dan moet de betrokken advocaat dit bedrag met btw aan het kantoor factureren. In dat geval vormt de terugbetaling van de bijdrage immers een onderdeel van de vergoeding voor de prestaties die de advocaat aan het kantoor levert. De btw die het kantoor op die factuur betaalt, is voor het kantoor aftrekbaar volgens de gewone regels.
Voor medewerkende advocaten en advocaat‑stagiairs die opteren voor het bijzondere stelsel van zelffacturering met uitstel van betaling, rusten de daaruit voortvloeiende btw‑verplichtingen op het kantoor zelf. De betaling van de baliebijdrage door het kantoor vindt haar oorsprong in de dienstverleningsovereenkomst tussen de individuele advocaat en het kantoor. Daarom maakt deze kost, wanneer zij door het kantoor wordt gedragen, deel uit van de btw‑grondslag van de prestaties van de advocaat in de zin van artikel 26 van het Btw‑wetboek.
Wanneer het kantoor de baliebijdrage betaalt maar deze vervolgens doorrekent aan de betrokken advocaat (vennoot, medewerker of stagiair), dan gaat het daarentegen om een zuiver voorschot: een financiële verrichting die geen vergoeding vormt voor een dienst en dus niet aan btw onderworpen is. In dat geval wordt de bijdrage slechts voorgeschoten en blijft zij civielrechtelijk en economisch een verplichting van de individuele advocaat.
Moet btw berekend worden over de vergoeding voor vervangingsprestaties?
Wanneer een advocaat een confrater vervangt of ‘loco’ optreedt in een gerechtelijke procedure, wordt deze advocaat geacht op te treden voor de advocaat die om de vervanging heeft verzocht, en niet rechtstreeks voor de cliënt van die advocaat. De cliënt staat immers los van de beslissing om een vervanger in te schakelen. Om die reden is de vergoeding voor een plaatsvervanging in principe onderworpen aan het btw‑tarief van 21%.
Dit geldt ook wanneer de vervanging gebeurt in het kader van pro Deo‑diensten. De advocaat die de vervanging uitvoert en zijn prestaties factureert aan de oorspronkelijk aangestelde advocaat, moet daarbij eveneens 21% btw aanrekenen. Het bijzondere btw‑nultarief voor pro Deo‑prestaties kan in deze relatie niet worden toegepast, aangezien de vervangende advocaat zijn diensten niet levert aan de rechtzoekende die tweedelijnsbijstand geniet, maar aan een confrater.
6. Recht op aftrek
Welke btw mag ik aftrekken?
Als volledig btw‑plichtigen mogen advocaten alle btw aftrekken die in België verschuldigd is, op u werd gefactureerd, verband houdt met uw economische (belaste) activiteit en kan worden bewezen met een geldige factuur.
Volledig aftrekbaar zijn onder meer de btw op kantoorhuur, kantoorbenodigdheden, ICT‑kosten zoals software, hardware en hosting, beroepsverzekeringen zoals de BA‑polis, onderaannemingen zoals loco‑vervangingen (btw 21% aftrekbaar), opleidingen en seminaries, erelonen van andere advocaten wanneer deze betrekking hebben op uw eigen dossiers en de btw op autokosten (waarvoor afzonderlijke beperkingen gelden).
U mag echter alleen de btw aftrekken op aankopen die beroepsmatig worden gebruikt. Wanneer goederen of diensten zowel een beroepsmatig als een privékarakter hebben, is de btw slechts aftrekbaar in verhouding tot het beroepsgebruik.
Specifieke aftrekbeperkingen
- Personenwagens
De btw die wordt betaald bij de aankoop van een personenwagen is nooit voor meer dan 50% aftrekbaar. Dit betekent dat wanneer het beroepsgebruik van een wagen minder dan 50% bedraagt, de btw slechts aftrekbaar is in de mate van dat beroepsgebruik. Wanneer het beroepsgebruik 50% of meer bedraagt, blijft de aftrek beperkt tot maximaal 50%.
Deze beperking geldt op dezelfde manier voor alle kosten die verband houden met personenwagens, zoals kosten voor onderhoud, herstellingen, brandstof, onderdelen, autokeuring en voor kosten van huur of leasing.
De wet voorziet enkele uitzonderingen op deze aftrekbeperking, maar deze zijn in de praktijk nagenoeg nooit relevant voor advocaten (autobussen, lichte bestelwagens, vrachtwagens, …).
Bij gemengde belastingplichtigen wordt de aftrek van btw bepaald op basis van een verhoudingsgetal (pro rata). De beperking voor personenwagens (maximum 50% aftrek) moet hiermee gecombineerd worden. De regel werkt als volgt. Wanneer de aftrek berekend op basis van het verhoudingsgetal minder dan 50% bedraagt, mag de btw worden afgetrokken ten belope van het verhoudingsgetal zelf. In die situatie wordt het verhoudingsgetal dus niet nog eens beperkt tot de helft; het verhoudingsgetal primeert. Wanneer de aftrek op basis van het verhoudingsgetal meer dan 50% bedraagt, blijft de wettelijke beperking van toepassing en is de aftrek beperkt tot maximaal 50%.
- Tabak
Wat betreft tabaksfabrikaten (tabak, sigaren, sigaretten) wordt de btw op de consumentenprijs onmiddellijk aan de bron geheven via de zogenaamde taksband. De btw die bij de aankoop van tabaksfabrikaten wordt betaald, is niet aftrekbaar. Daarenboven wordt tabak door de fiscus altijd beschouwd als een privé‑uitgave. Omdat het geen beroepskost is in de zin van de btw‑wet, ontstaat er geen enkel recht op aftrek.
- Geestrijke dranken
De fiscus beschouwt alcoholische dranken steeds als representatiekosten, zelfs wanneer ze worden aangeboden bij een kantooropening, gebruikt worden tijdens een seminarie of receptie, worden geschonken als relatiegeschenk, of intern op kantoor worden geconsumeerd. Volgens de btw-administratie vormen alcoholische dranken geen beroepskost, maar een uitgave van privé‑ of representatieve aard.
- Horeca
Horecakosten zijn de kosten voor verblijf en restauratie die door hotels, motels, restaurants, traiteurs en cafés in rekening worden gebracht voor het verschaffen van logies en voor het aanbieden van maaltijden en dranken voor consumptie ter plaatse.
De fiscus beschouwt horecakosten (zoals restaurantbezoeken, catering, maaltijden, dranken en recepties) systematisch als representatiekosten of privé‑uitgaven. Hierdoor worden zij niet als beroepskosten aangemerkt in de zin van de btw‑wetgeving, en is de btw daarop niet aftrekbaar.
- Kosten van onthaal
Kosten van onthaal zijn uitgaven in het kader van public relations, gemaakt voor het onthaal of de ontvangst van bezoekers die vreemd zijn aan het kantoor. Alle personen die niet de advocaat zelf of zijn personeel zijn, worden als vreemde bezoekers beschouwd (zoals cliënten, leveranciers, genodigden, enz.). De btw op deze kosten is niet aftrekbaar.
Wanneer u een evenement organiseert waarvoor vreemde bezoekers worden uitgenodigd, moet u het volgende onderscheid maken:
• Evenement met een promotioneel of informatief doel
Als het evenement bedoeld is om bezoekers in te lichten over het bestaan en de kwaliteiten van uw kantoor, dan worden de gemaakte kosten beschouwd als reclamekosten. In dat geval is de btw wel aftrekbaar, aangezien het geen kosten van onthaal betreft.
• Evenement met een relatie‑ of ontvangstdoel
Wanneer het evenement tot doel heeft om zakelijke relaties te versterken of te bestendigen of louter om bezoekers te ontvangen (bijvoorbeeld aandeelhouders), dan gaat het om kosten van onthaal. In dat geval is de btw niet aftrekbaar.
De grens tussen beide categorieën kan in de praktijk soms dun zijn.
- Relatiegeschenken
De btw die u betaalt bij de aankoop van goederen die u gratis weggeeft, is in principe niet aftrekbaar. Geeft u echter goederen weg als relatiegeschenk en hebt u bij de aankoop ervan recht op aftrek genoten, dan geldt het volgende: de btw‑aftrek blijft toegestaan, maar het schenken van deze goederen wordt beschouwd als een belaste levering. U moet hierover dus btw afdragen.
Een uitzondering hierop geldt wanneer de inkoopprijs of normale waarde van het relatiegeschenk minder dan 50,00 euro exclusief btw bedraagt. In dat geval hoeft geen btw te worden afgedragen.
Daarnaast mag er slechts één geschenk per kalenderjaar per beroepsrelatie worden gegeven. Enkel natuurlijke personen worden als beroepsrelatie beschouwd. Het is dus toegestaan om twee vennoten van dezelfde vennootschap elk een geschenk te geven.
- Geschenken personeel
De btw‑administratie aanvaardt dat gelegenheidsgeschenken aan personeelsleden of hun kinderen kunnen worden beschouwd als collectieve sociale voordelen, waarvoor de btw mag worden afgetrokken. De maximumaankoopprijs bedraagt 50,00 euro exclusief btw en, net zoals bij handelsgeschenken, mag er maximaal één gelegenheidsgeschenk per jaar per persoon worden gegeven.
Wanneer een belastingplichtige goederen aankoopt met de bedoeling deze gratis aan werknemers voor privégebruik te verstrekken, is de btw op die aankoop niet aftrekbaar. Zodra de bestemmeling en het privégebruik op voorhand bekend zijn, wordt de aankoop volledig als een niet‑beroepsmatige uitgave beschouwd, waardoor het recht op aftrek volledig vervalt.
Kan ik alsnog de btw aftrekken die ik betaald heb op goederen en diensten aangekocht vóór ik belastingplichtig werd?
Wanneer een natuurlijk persoon of rechtspersoon een goed aankoopt als niet-belastingplichtige en vervolgens de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgt, waarbij het goed als bedrijfsmiddel voor de economische activiteit wordt gebruikt, is het niet toegestaan om de btw die bij de aankoop van dit goed werd geheven, geheel of gedeeltelijk in aftrek te brengen.
Heeft de advocatenvennootschap recht op aftrek?
Een advocatenvennootschap heeft recht op aftrek van btw, maar de omvang van dat recht hangt af van het type belastingplichtige dat zij vormt. Wanneer de vennootschap een volledige belastingplichtige is, geniet zij een volledig recht op aftrek van de betaalde btw. Is zij daarentegen een gemengde belastingplichtige, dan geldt slechts een gedeeltelijk recht op aftrek, doorgaans berekend via een pro‑rata of een andere door de btw-administratie aanvaarde verdeelsleutel. Indien de vennootschap kwalificeert als een gedeeltelijke belastingplichtige, gebeurt de aftrek volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten waarvoor btw werd betaald.
Heeft de advocaat-zaakvoerder van de advocatenvennootschap recht op aftrek van voorbelasting?
Indien de advocaat een natuurlijke persoon is, kwalificeert hij niet als btw belastingplichtige en heeft hij bijgevolg geen recht op aftrek van de btw die hem wordt aangerekend.
Wanneer de advocaat of zaakvoerder zelf een rechtspersoon is, worden de geleverde prestaties in principe wel aan btw onderworpen en kan die rechtspersoon ook zijn recht op aftrek uitoefenen.
• Hoe werkt het recht op aftrek van het samenwerkingsverband (vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid)?
De btw die rust op de aankopen van goederen of de ontvangen diensten door het samenwerkingsverband kan in principe door het samenwerkingsverband zelf worden afgetrokken, overeenkomstig de algemene regel. Daarbij is het essentieel dat het samenwerkingsverband beschikt over een correcte factuur die op zijn naam is uitgereikt.
Wat betreft de historische aftrek geldt dat deze in beginsel uitsluitend kan worden uitgeoefend door degene die de kost daadwerkelijk heeft gedragen.
Wanneer de kostenassociatie onder een gemeenschappelijke naam naar buiten optreedt, moet zij zelf als belastingplichtige handelen ten aanzien van haar leden. In dat geval moeten leveranciers hun facturen rechtstreeks op naam van de kostenassociatie uitreiken.
Indien de kostenassociatie niet onder een gemeenschappelijke naam naar buiten treedt, moeten de individuele leden afzonderlijk worden gefactureerd, elk voor hun eigen aandeel. Het is eveneens aanvaard dat een leverancier één lid voor het geheel factureert, waarna dat lid aan de overige leden een afrekening bezorgt voor hun respectieve delen.
7. Samenwerkingen
Maakt het voor de btw een verschil indien ik als advocaat mijn diensten via een vennootschap met rechtspersoonlijkheid (bijvoorbeeld ebvba) verricht?
Voor de btw maakt het in de praktijk geen wezenlijk verschil of u uw advocatendiensten verricht als natuurlijke persoon of via een vennootschap met rechtspersoonlijkheid. De btw-regels blijven in essentie dezelfde: in beide gevallen moet u btw aanrekenen op uw advocatendiensten, geldt het btw-tarief van 21% en blijven de regels inzake aftrek, facturatie, plaats van dienst, opeisbaarheid, enzovoort identiek.
Indien u via een vennootschap werkt, wordt de vennootschap geacht de advocatendiensten te verrichten. Zij moet zich voor btw-doeleinden registreren en aan alle btw-verplichtingen voldoen.
Is er btw verschuldigd op de inbreng van activiteiten in de vennootschap met rechtspersoonlijkheid?
Op de inbreng van een activiteit in een vennootschap is niet altijd btw verschuldigd. Dit hangt af van de juridische kwalificatie van de inbreng.
Inbreng van een volledige activiteit (algemeenheid van goederen)
Wanneer een volledige eenmanszaak of beroepsactiviteit als één geheel (een ‘algemeenheid van goederen’) wordt ingebracht in een vennootschap, en de vennootschap deze activiteit ononderbroken voortzet, is die overdracht in België in principe vrijgesteld van btw. Deze vrijstelling is gebaseerd op artikel 11 van het Btw Wetboek. De inbreng wordt dan niet beschouwd als een gewone btw belaste levering, zodat er geen btw verschuldigd is op de overdracht zelf.
Voorwaarde is wel dat het effectief gaat om een geheel van activa en passiva waarmee de economische activiteit onmiddellijk kan worden voortgezet, én dat de vennootschap dit ook daadwerkelijk doet.
Inbreng van afzonderlijke activa (geen algemeenheid van goederen)
Wanneer enkel losse goederen worden ingebracht (bijvoorbeeld een wagen, computer, software …) en deze geen volledige ‘algemeenheid van goederen’ vormen, geldt de gewone btw regeling.
De inbreng in natura wordt dan gelijkgesteld met een levering van goederen, waardoor er in principe btw verschuldigd is volgens de normale regels.
Specifiek voor een advocaat vennoot
Een advocaat vennoot die zijn activiteit inbrengt, wordt in principe beschouwd als een gewone belastingplichtige. De fiscus vereist echter niet dat een advocaat zich enkel om die reden apart voor de btw moet identificeren. Als inbrengende vennoot heeft u dan in principe de keuze.
Voorbeeld 1 - Inbreng van een klantenportefeuille
Een advocaat brengt zijn praktijk in een nieuwe bv in.
Geen btw op de overdracht.
De bv factureert nadien haar advocatendiensten met btw.
Voorbeeld 2 - Inbreng van kantooruitrusting (laptop, meubels …)
Indien deze activa deel uitmaken van de globale inbreng (en er dus geen verkoopprijs is maar enkel aandelen tegenover staan):
Geen btw verschuldigd (want geen levering onder bezwarende titel).
Voorbeeld 3 - Werkende vennoot die arbeid inbrengt
Een werkende vennoot brengt enkel zijn arbeid in; de bv factureert de prestaties aan cliënten.
Inbreng van arbeid = geen btw.
Prestaties van de bv aan cliënten = wel btw.
Wat zijn mijn btw-verplichtingen als advocaat natuurlijke persoon/rechtspersoon die via een vennootschap met rechtspersoonlijkheid werkt? Moet ik btw aanrekenen op de vergoeding die ik als zaakvoerder/bestuurder ontvang?
Voor de btw maakt het geen verschil of de beroepsactiviteit als natuurlijke persoon wordt uitgeoefend of via een vennootschap. Advocaten die via een rechtspersoon werken, blijven voor btw-doeleinden onderworpen als advocaten, ongeacht de rechtsvorm. Dit houdt in dat de vennootschap btw-belastingplichtig is, over een btw-nummer beschikt, advocatendiensten aan cliënten factureert met 21% btw, periodieke btw-aangiften indient en recht op aftrek heeft.
Een advocaat-vennoot hoeft daarom niet noodzakelijk afzonderlijk btw-belastingplichtig te zijn. De btw-administratie vraagt geen aparte btw-identificatie wanneer de advocaat enkel zijn activiteit inbrengt in de vennootschap of intern meewerkt als werkende vennoot. In dat geval worden zijn prestaties binnen de vennootschap niet als afzonderlijk btw-belast beschouwd. Wanneer hij echter naast de vennootschap nog eigen cliënten heeft en dus zelfstandige dossiers behandelt, is hij uiteraard wel zelf btw-belastingplichtig voor die activiteiten.
Of btw moet worden aangerekend op de vergoeding die de advocaat ontvangt als bestuurder of zaakvoerder, hangt af van de hoedanigheid waarin hij dit mandaat uitoefent. Wanneer hij als natuurlijke persoon bestuurder of zaakvoerder is, is op de bestuurdersvergoeding geen btw verschuldigd, tenzij hij naast de statutaire opdracht bijkomende diensten verleent aan dezelfde vennootschap, zoals juridisch advies. Die bijkomende diensten vallen wél onder de btw.
Wanneer de bestuurder of zaakvoerder van een advocatenvennootschap zelf een rechtspersoon is, bijvoorbeeld een managementvennootschap, is de bestuurdersvergoeding aan btw onderworpen en dient deze rechtspersoon btw aan te rekenen tegen het tarief van 21%.
Hoe worden voor de btw mijn tantièmes als bestuurder of zaakvoerder van een advocatenvennootschap behandeld?
Ook hier moet een onderscheid worden gemaakt tussen natuurlijke personen die als bestuurder of zaakvoerder optreden en rechtspersonen die deze functie uitoefenen.
Wanneer een natuurlijke persoon bestuurder of zaakvoerder is, wordt aangenomen dat deze zich in een tolerante bevindt. De vergoeding die voor deze opdracht wordt ontvangen, valt daardoor buiten het toepassingsgebied van de btw.
Voor rechtspersonen die als bestuurder of zaakvoerder optreden geldt de gewone btw‑regel: alles wat de rechtspersoon ontvangt in ruil voor de bestuurdersprestaties – inclusief tantièmes – wordt in principe aan btw onderworpen.
Wat de tantièmes betreft, rijst de vraag wanneer de btw opeisbaar wordt, aangezien het bedrag van de tantièmes op het einde van het boekjaar vaak nog niet bekend is. Voor tantièmes die worden toegekend aan een bestuurder‑vennootschap is de btw pas opeisbaar op het moment dat de algemene vergadering beslist tot de uitkering ervan. Voor deze vergoedingen geldt dus een bijzondere regel: niet op het einde van het boekjaar, maar op de datum waarop de jaarlijkse algemene vergadering de tantièmes goedkeurt, moet de bestuurder‑vennootschap btw aanrekenen, een factuur met btw uitreiken en de btw in de aangifte opnemen.
Hoe worden voor de btw mijn winstdeelnemingen als vennoot in een advocatenkantoor behandeld?
Zoals eerder vermeld, eist de btw-administratie geen afzonderlijke btw‑identificatie en geen btw‑heffing op de interne verhoudingen tussen vennootschap en vennoot wanneer de vennoot uitsluitend optreedt als werkende vennoot. Dit vormt de zogenaamde administratieve tolerantie (die los staat van het vroegere, afgeschafte keuzestelsel voor rechtspersonen). De prestaties die de vennoot binnen de vennootschap verricht, worden in dat geval niet als afzonderlijke diensten beschouwd. De winstuitkeringen die de vennoot ontvangt – zoals tantièmes, dividenden, overwinstverdelingen of een aandeel in het resultaat – worden aangemerkt als vennootschapsrechten en niet als vergoedingen voor een dienst. Zij vallen daarom volledig buiten het toepassingsgebied van de btw.
Het btw-regime van een tantième wordt dus bepaald door de hoedanigheid waarin zij wordt toegekend: als winstdeelname aan een vennoot (buiten btw) of als vergoeding voor een bestuursmandaat (btw-belastingplichtig bij rechtspersoon bestuurder).
Wat als mijn Belgische advocatenvennootschap een vaste inrichting (branch) heeft in een ander EU-land?
In de btw worden het hoofdhuis – de Belgische advocatenvennootschap – en de vaste inrichting in een ander EU‑land beschouwd als één en dezelfde belastingplichtige. Voor de praktische en uitvoeringsregels worden ze echter geografisch gescheiden behandeld.
Dit betekent dat de buitenlandse vaste inrichting in dat EU‑land btw‑plichtig is en daar een lokaal btw‑nummer moet aanvragen, lokale btw‑aangiften moet indienen, de specifieke facturatievereisten van dat land moet naleven en btw moet aanrekenen aan lokale cliënten volgens de toepasselijke nationale wetgeving. Tegelijkertijd blijft de Belgische vennootschap btw‑plichtig in België voor haar eigen Belgische activiteiten.
Naast deze lokale verplichtingen moet de omzet die de buitenlandse vaste inrichting in het andere EU‑land realiseert, ook worden opgenomen in de Belgische btw‑aangifte van de advocatenvennootschap. Deze rapportage houdt echter niet in dat over die buitenlandse omzet Belgische btw verschuldigd zou zijn. De gebruikelijke regels inzake de bepaling van de plaats van de dienst blijven volledig van toepassing.
Wat indien ik in persoon of via een (patrimonium)vennootschap bedrijfsmiddelen of bepaalde goederen of diensten ter beschikking stel van de advocatenvennootschap?
Wanneer de advocaat persoonlijk of via een patrimoniumvennootschap, bedrijfsmiddelen, goederen of diensten – zoals kantoorruimte, voertuigen, ICT‑materiaal of meubilair – ter beschikking stelt aan zijn advocatenvennootschap, vormt dit een btw‑belastbare handeling. Enkel in het geval van vrijgestelde onroerendgoedverhuur is er geen btw verschuldigd. In alle andere gevallen moet er dus btw worden aangerekend op deze terbeschikkingstelling.
De eerder besproken administratieve tolerantie is niet van toepassing op het ter beschikking stellen van goederen, bedrijfsmiddelen of diensten. Deze tolerantie geldt uitsluitend voor de interne verhouding waarbij een werkende vennoot advocatenprestaties levert binnen de vennootschap. Het ter beschikking stellen van goederen is geen interne vennootschapsrechtelijke relatie, maar een afzonderlijke economische activiteit die btw‑rechtelijk op zichzelf wordt beoordeeld.
Kan ik een btw-eenheid gebruiken om de terbeschikkingstelling van gebouwen aan de werkvennootschap te optimaliseren?
Indien aan de voorwaarden is voldaan, kan worden overwogen om een btw‑eenheid op te richten tussen de advocatenvennootschap en de natuurlijke persoon of patrimoniumvennootschap. Een btw‑eenheid laat toe dat in Belgiëgevestigde personen die juridisch wel zelfstandig zijn, maar organisatorisch, financieel en economisch met elkaar verbonden zijn, voor de btw als één enkele belastingplichtige worden behandeld.
De oprichting van een btw‑eenheid heeft verschillende gevolgen. Leveringen van goederen en diensten tussen leden van de btw‑eenheid vallen niet onder het toepassingsgebied van de btw, aangezien deze voor btw‑doeleinden als interne verrichtingen worden beschouwd. Leveringen van goederen en diensten aan een lid van de btw‑eenheid worden geacht te zijn verricht aan de btw‑eenheid zelf. Omgekeerd worden alle leveringen van goederen en diensten die door een lid worden uitgevoerd, geacht te zijn verricht door de btw‑eenheid als geheel.
Het recht op aftrek van de btw‑eenheid wordt uitsluitend bepaald op basis van de leveringen van goederen en diensten die de eenheid aan derden verricht. Interne verrichtingen tussen de leden onderling worden daarbij buiten beschouwing gelaten.
In een eenvoudig voorbeeld, waarbij een patrimoniumvennootschap van de advocaat enkel een kantoorgebouw verhuurt aan de advocatenvennootschap en deze laatste uitsluitend met btw belaste advocatendiensten aan derden verricht, wordt het recht op aftrek bepaald door deze belaste advocatendiensten. In een dergelijke situatie kan de btw‑eenheid de historische aftrek uitoefenen van de btw die werd betaald bij de oprichting of aankoop van het gebouw. Op die manier kan een btw‑eenheid dus worden ingezet om de terbeschikkingstelling van onroerend goed aan de werkvennootschap fiscaal te optimaliseren.
Wel moet worden benadrukt dat alle leden van een btw‑eenheid hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle btw‑schulden van de eenheid. Dat maakt dat een beslissing tot toetreding tot een btw‑eenheid steeds zorgvuldig moet worden afgewogen.
Wat gebeurt er op het vlak van de btw indien ik mijn diensten via een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (bijvoorbeeld maatschap of feitelijke vereniging) lever?
Het bezit van rechtspersoonlijkheid of een afgescheiden vermogen is in de regel geen voorwaarde om een afzonderlijke btw‑plichtige te zijn. Voor de btw is uitsluitend relevant wie een economische activiteit verricht, zoals bepaald in artikel 4 van het Btw‑Wetboek. Een maatschap, een VOF of zelfs een feitelijke vereniging kan dus zonder enig probleem als btw‑plichtige worden beschouwd.
Wanneer een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid onder haar eigen naam optreedt tegenover derden en advocatendiensten verricht, is het in principe deze entiteit zelf die wordt geacht de economische activiteit uit te oefenen. Zij moet zich dan voor btw‑doeleinden registreren en alle wettelijke btw‑verplichtingen naleven, waaronder facturatie, aangiftes en het toepassen van de correcte btw‑regels.
Hoe werkt een kostengroepering onder gemeenschappelijke naam op het vlak van de btw?
Een kostengroepering onder gemeenschappelijke naam is een samenwerkingsverband waarbij verschillende advocaten of advocatenvennootschappen bepaalde kosten en ondersteunende diensten gezamenlijk organiseren. Het gaat doorgaans om zaken zoals secretariaat, IT‑infrastructuur, administratie, bibliotheekdiensten, personeel of marketing. De groepering zelf verricht geen advocatendiensten; elke advocaat of advocatenvennootschap levert die immers afzonderlijk aan cliënten en blijft dus zelf verantwoordelijk voor de naleving van de btw‑verplichtingen voor die activiteiten.
De kostenassociatie is evenwel zelf btw‑plichtig, aangezien zij belastbare diensten of leveringen verricht aan haar leden door kosten door te factureren. Voor deze activiteiten moet de groepering een eigen btw‑nummer aanvragen en aan alle btw‑formaliteiten voldoen.
Deze structuur kan bijzonder interessant zijn voor advocatenkantoren die veel ondersteunende of administratieve diensten willen centraliseren, maar men moet er rekening mee houden dat de doorgerekende kosten steeds aan btw onderworpen zijn.
Hoe werkt een kostengroepering zonder gemeenschappelijke naam op het vlak van de btw?
Een kostengroepering zonder gemeenschappelijke naam is een samenwerkingsstructuur waarin meerdere advocaten of advocatenvennootschappen bepaalde kosten delen, maar niet gezamenlijk naar buiten treden onder een gemeenschappelijke benaming. De groepering vormt zelf geen rechtspersoon en wordt ook niet als btw‑belastingplichtige beschouwd.
Omdat de groepering niet btw‑plichtig is, worden alle facturen van leveranciers rechtstreeks uitgereikt op naam van één of meerdere leden. De groepering – die enkel een administratieve functie vervult – ontvangt dus geen eigen btw‑facturen. De gemaakte kosten worden nadien doorgerekend aan de deelnemende leden, maar deze doorrekening wordt niet beschouwd als een dienst van de groepering, aangezien zij niet als belastingplichtige optreedt. Elk lid kan vervolgens zijn eigen aandeel in de kosten en de daarop betrekking hebbende btw in aftrek brengen.
Wanneer één lid van de kostengroepering de leveranciersfactuur voor het geheel ontvangt, moet dat lid dus aan de overige deelnemers een afrekening bezorgen waarin duidelijk wordt vermeld welk deel van de uitgaven en van de bijhorende btw door elk van hen moet worden gedragen. In de praktijk bestaat die afrekening doorgaans uit een kopie van de originele leveranciersfactuur met een duidelijke aanduiding van ieders aandeel.
Wat is mijn btw-statuut indien ik samen met mijn echtgeno(o)te de advocatuur beoefen?
Wanneer beide echtgenoten een associatie vormen (met of zonder rechtspersoonlijkheid) zal de associatie in principe als btw-belastingplichtige worden aangeduid en zullen zij hun cliënten factureren vanuit deze associatie. De associatie zal dan over een uniek btw-nummer beschikken. Beide echtgenoten kunnen als vennoot opteren om zich niet individueel voor btw-doeleinden te registreren.
Indien zij geen associatie vormen zullen zij in principe elk afzonderlijk hun dienstprestaties moeten factureren aan hun cliënten en zich bijgevolg elk afzonderlijk moeten identificeren voor btw-doeleinden. Samen in één kantoorruimte werken verandert dit niet.
Uiteraard bestaat ook steeds de mogelijkheid voor één van de echtgenoten om als medewerker op te treden ten opzichte van de andere. De meewerkende echtgenote zou dan kunnen opteren voor de facultatieve bijzondere medewerkersregeling om aldus de administratieve lasten tot een minimum te beperken. Volledigheidshalve merken wij op dat een meewerkend echtgenoot, die een beroep doet op de bijzondere facultatieve regeling zich wel dient te registreren voor btw-doeleinden en aan bepaalde btw-verplichtingen zal moeten voldoen (bijvoorbeeld indienen van jaarlijkse opgave belastingplichtige afnemers).
Hoe worden mijn handelingen als vereffenaar van vennootschappen, die ik als advocaat-werkend vennoot stel, in rekening gebracht aan mijn advocatenkantoor?
De btw-administratie maakt een duidelijk onderscheid tussen:
- vereffenaars die optreden als natuurlijk persoon. Zij worden geacht géén btw‑belastingplichtige te zijn voor hun mandaat, wanneer dat mandaat valt binnen de normale statutaire opdracht van bestuurders/zaakvoerders/vereffenaars.
- vereffenaars die optreden als rechtspersoon. Het vereffenaarsmandaat wordt beschouwd als een btw‑belastbare dienst, zodat de rechtspersoon‑vereffenaar zich voor btw moet identificeren en btw moet aanrekenen op de ontvangen vergoedingen. Het vroegere btw‑keuzestelsel is afgeschaft.
Als werkend vennoot die zijn activiteit inbrengt in het kantoor, wordt de advocaat in principe niet als afzonderlijke btw‑belastingplichtige beschouwd voor zijn interne prestaties aan het kantoor.
Toegepast op het vereffenaarsmandaat betekent dit dat, wanneer de advocaat als natuurlijk persoon is aangesteld, hij voor dit mandaat geen btw‑belastingplichtige is. In dat geval hoeft hij als werkend vennoot geen btw aan te rekenen aan zijn advocatenkantoor voor de intern verrichte prestaties. De erelonen als vereffenaar worden dus niet met btw gefactureerd aan het advocatenkantoor. Het kantoor boekt deze vergoedingen als inkomsten van de vennootschap (bijvoorbeeld via een interne afrekening of managementregeling), zonder btw‑factuur van de advocaat aan het kantoor.
Indien de advocatenvennootschap formeel wordt aangesteld als vereffenaar, is het de vennootschap zelf die de vereffenaarsprestaties verricht. Het vereffenaarsmandaat kwalificeert in dat geval als een btw‑belastbare dienst. De advocatenvennootschap factureert haar vergoedingen aan de te vereffenen vennootschap, waarop btw is verschuldigd. De advocaat‑werkend vennoot verricht in dat scenario geen vereffenaarsdiensten aan zijn kantoor. Hij verricht louter interne werkzaamheden in zijn hoedanigheid van orgaan of medewerker van de vereffenaar‑vennootschap, waarvoor geen afzonderlijke interne facturatie vereist of aangewezen is.
Wat zijn op het vlak van de btw de gevolgen van een ‘inbreng’ in een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid?
In beginsel kan de inbreng van arbeid door een vennoot in een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid btw rechtelijk als een dienst worden gekwalificeerd. De btw-administratie past echter een administratieve tolerantie toe wanneer de vennoot uitsluitend optreedt als werkende vennoot en geen zelfstandige prestaties verricht in eigen naam of voor eigen rekening. In dat geval is geen afzonderlijke btw‑identificatie vereist. De btw‑plicht rust dan bij de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid.
Wat gebeurt er op btw-vlak bij ingrijpende renovatie- of uitbreidingswerken aan het advocatenkantoor?
Wanneer aan een advocatenkantoor ingrijpende renovatie‑ of uitbreidingswerken worden uitgevoerd, die ertoe leiden dat het gerenoveerde gebouw de kenmerken van een nieuwbouw krijgt, moeten deze werken voor de btw‑herziening niet automatisch worden behandeld als gewone diensten met een herzieningstermijn van vijf jaar.
Op basis van het arrest Drebers van het Hof van Justitie en de daaropvolgende wetswijziging kunnen dergelijke werken onder bepaalde voorwaarden worden gelijkgesteld met onroerende investeringsgoederen.
Concreet geldt het volgende:
- indien de uitgevoerde werken qua aard, omvang en economische levensduur vergelijkbaar zijn met de oprichting van een nieuw gebouw (bijvoorbeeld een grondige renovatie of een aanzienlijke uitbreiding), wordt de btw die op deze werken drukt onderworpen aan een herzieningstermijn van vijftien jaar;
- wanneer het gebouw (of een gedeelte ervan) na de werken wordt verhuurd met toepassing van btw (belaste onroerende verhuur met optie), kan zelfs een herzieningstermijn van vijfentwintig jaar van toepassing zijn;
- de beoordeling gebeurt geval per geval, op basis van de concrete kenmerken van de werken, zoals hun structurele impact en hun economische levensduur en niet louter op basis van het feit dat zij juridisch als ‘diensten’ worden gekwalificeerd.
Deze benadering waarborgt het beginsel van fiscale neutraliteit: investeringen die economisch vergelijkbaar zijn, zoals nieuwbouw en ingrijpende renovaties, moeten voor de btw‑herziening gelijk worden behandeld. De aangepaste regels treden in werking op 1 januari 2026 en zijn van toepassing zolang de herzieningstermijn op dat moment nog niet definitief is verstreken.
Wat gebeurt er op btw-vlak bij de ontbinding van een samenwerkingsverband (vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid)?
De ontbinding zal op zich geen directe btw-gevolgen hebben, omdat de vennoten ofwel steeds eigenaar gebleven zijn en enkel het genot hebben ingebracht, ofwel omdat de goederen (of diensten) in onverdeelde mede-eigendom werden verworven door het samenwerkingsverband.
Een herziening van de afgetrokken btw zal enkel moeten plaatsvinden in de mate dat de bedrijfsmiddelen niet langer zullen dienen voor een economische activiteit die recht op aftrek verleent (in hoofde van de vennoten van het samenwerkingsverband na de ontbinding). Dit zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen indien een vennoot een computer van het samenwerkingsverband voor zijn privédoeleinden gebruikt en de computer bevindt zich op het ogenblik van de ‘desaffectatie’ nog in het herzieningstijdvak van 5 jaar.
De onderlinge herverdeling van overblijvende activa onder de vennoten zal in principe wel aanleiding geven tot heffing van de btw over de aan iedere vennoot toebedeelde goederen (ervan uitgaande uiteraard dat de overdragende vennoot kwalificeert als een btw belastingplichtige).
Wat gebeurt er op het vlak van de btw bij stopzetting van de activiteiten van de advocatenvennootschap?
Wanneer de advocatenvennootschap haar activiteiten stopzet, verliest zij haar hoedanigheid van btw‑belastingplichtige. Op dat moment moet zij een onttrekking of herziening van de eerder uitgeoefende btw‑aftrek uitvoeren voor de goederen en bedrijfsmiddelen die zij nog in haar bezit heeft. Deze verplichting vervalt echter wanneer de activiteiten worden voortgezet door een derde onder de voorwaarden van artikel 11 van het Btw‑Wetboek, dat betrekking heeft op de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling. In de praktijk betekent dit dat een andere advocaat of een groepering van advocaten de activiteiten moet overnemen en ononderbroken moet voortzetten.
8. Beroepsgeheim en controle
Wat valt onder het beroepsgeheim?
Het beroepsgeheim van de advocaat vindt zijn wettelijke grondslag in artikel 458 van het Strafwetboek, dat bepaalde beroepsbeoefenaars – waaronder advocaten – verbiedt om geheimen die zij in de uitoefening van hun beroep vernemen, aan derden mee te delen. Onder het begrip ‘derden’ vallen ook overheidsdiensten en instellingen, met inbegrip van de fiscale administratie. Volgens de Codex Deontologie voor Advocaten strekt het beroepsgeheim zich uit tot alle vertrouwelijke informatie waarvan de advocaat kennisneemt of die hij vaststelt tijdens de uitvoering van zijn opdracht.
Het beroepsgeheim raakt de openbare orde en is daarom van dwingend recht. Geen van de partijen kan erover beschikken: noch de advocaat, noch de cliënt kan afstand doen van dit recht. Zelfs de cliënt kan de advocaat niet ontslaan van zijn geheimhoudingsplicht. Bovendien is het beroepsgeheim algemeen van aard, in die zin dat het betrekking heeft op alles wat de advocaat verneemt in de context van zijn beroepsuitoefening, ongeacht of de informatie afkomstig is van de cliënt zelf, van confraters of van derden.
Kan ik mij in het kader van een onderzoek naar mijn eigen belastingplicht beroepen op mijn beroepsgeheim?
Het beroepsgeheim beschermt uitsluitend de vertrouwelijke informatie van cliënten en niet de advocaat zelf. Wanneer zijn eigen fiscale situatie wordt onderzocht – bijvoorbeeld zijn inkomsten, aftrekken, kosten, structuur of btw‑positie –wordt hij beschouwd als een gewone belastingplichtige en niet als een advocaat die optreedt in de uitoefening van zijn functie. Het beroepsgeheim kan in dat geval niet worden ingeroepen om informatie te weigeren die verband houdt met zijn persoonlijke fiscale verplichtingen.
Het beroepsgeheim bestaat immers enkel in het belang van de cliënt en niet ter bescherming van de advocaat. Wanneer de persoonlijke fiscale situatie van een advocaat aan een controle wordt onderworpen, kan hij zich dus niet beroepen op het beroepsgeheim om zich aan zijn eigen fiscale verplichtingen te onttrekken. De finaliteit van het beroepsgeheim ligt uitsluitend in de bescherming van de cliënt en niet in het afschermen van de advocaat.
Op grond van artikel 61, §1 van het Btw‑Wetboek beschikt de btw‑administratie over een ruim inzagerecht: zij mag alle stukken opvragen die verband houden met de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige. In beginsel moet de belastingplichtige alle nuttige elementen verstrekken die de btw-administratie toelaten om te controleren of correct btw is geheven op de geleverde diensten.
Bij een controle op de toepassing van de btw‑wetgeving strekt het inzagerecht van de btw-administratie zich dan ook uit tot interne documenten die de basis vormden voor de facturatie aan cliënten. Dit kan onder meer betrekking hebben op timesheets of andere registraties die toelaten om de aan cliënten bestede tijd, en dus de prijs van de geleverde diensten, te verifiëren, voor zover dergelijke documenten effectief bestaan.
Voor informatie die rechtstreeks of onrechtstreeks gegevens van cliënten onthult, moet de advocaat zich wél op het beroepsgeheim beroepen. Dit omvat alle documenten en gegevens die toelaten een cliënt te identificeren of die inhoudelijk verband houden met de opdracht die de advocaat voor die cliënt uitvoert. Het gaat onder meer om dossiers, pleitnota’s, adviesnota’s, correspondentie met cliënten, tijdsregistraties waaruit de identiteit van een cliënt blijkt, detailbeschrijvingen van prestaties en alle informatie die uit een dossier afkomstig is maar niet noodzakelijk is om de eigen omzet van de advocaat te bepalen. Ook gegevens verbonden aan de derdengeldenrekening vallen onder het beroepsgeheim, met uitzondering van het louter boekhoudkundig saldo. De bedragen die de advocaat voor cliënten beheert of doorstort zijn eveneens volledig aan het beroepsgeheim onderworpen. De advocaat kan zich evenwel niet op zijn beroepsgeheim beroepen om te weigeren te antwoorden op de vraag van de btw-administratie of een bepaalde factuur al dan niet door hem is uitgeschreven (Rb. Gent, 6 mei 2024).
Moet ik bij de organisatie van mijn btw-administratie/boekhouding rekening houden met mijn beroepsgeheim?
Uit de heersende rechtspraak blijkt dat de advocaat in dit verband een proactieve rol wordt toebedeeld. Omdat een advocaat weet dat hij aan een fiscale controle kan worden onderworpen, moet hij de nodige voorzorgen nemen om te vermijden dat informatie die onder het beroepsgeheim valt, ongewild wordt prijsgegeven. Dit houdt in dat een advocaat zijn documenten, dossiers en interne administratie op een zodanige manier moet organiseren dat vertrouwelijke cliëntgegevens niet toegankelijk zijn voor de fiscus bij een controle.
Is elektronische facturatie via Peppol verenigbaar met het beroepsgeheim van de advocaat?
De verplichting tot elektronische facturatie wijzigt niets aan de draagwijdte van het beroepsgeheim. De advocaat blijft onverkort gehouden om vertrouwelijke cliëntinformatie te beschermen.
Aangezien facturen via Peppol technisch toegankelijk zijn voor derden in de verwerkingsketen, is het essentieel om de inhoud van de factuur te beperken tot wat wettelijk vereist is voor btw‑doeleinden.
Welke informatie mag (of mag niet) op een Peppol‑factuur worden vermeld?
Om het beroepsgeheim te waarborgen beperkt de advocaat de inhoud van de factuur tot de wettelijk verplichte vermeldingen, vermeldt hij zo weinig mogelijk inhoudelijke of gevoelige gegevens en maakt hij geen gedetailleerde ereloonstaten, prestatiebeschrijvingen, timesheets of dossierinhoud deel uit van de Peppol‑factuur.
Deze detailinformatie wordt afzonderlijk aan de cliënt bezorgd, buiten het Peppol‑kanaal om.
Leveranciers van advocatensoftware begrijpen dat advocaten een beroepsgeheim hebben. Sommige leveranciers voorzien daarom de optie om facturen via Peppol te versturen en via eenzelfde vlotte handeling het overzicht van prestaties apart via e-mail aan de cliënt te bezorgen.
Waar kan de btw-administratie mij controleren?
Op grond van artikel 63 van het Btw‑Wetboek moet iedereen die een economische activiteit uitoefent de btw‑ambtenaren, die in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk ogenblik en zonder voorafgaande verwittiging vrije toegang verlenen tot de plaatsen waar die activiteit wordt uitgeoefend. Als ruimten waar een activiteit wordt verricht, worden onder meer beschouwd: burelen, fabrieken, werkplaatsen, opslag‑ en bergplaatsen, garages, evenals terreinen die als werkplaats, fabriek of opslagruimte worden gebruikt.
Btw‑controleambtenaren mogen bovendien, mits zij hun aanstellingsbrief kunnen voorleggen, te allen tijde en zonder voorafgaande aankondiging vrij binnentreden in andere gebouwen, lokalen, inrichtingen of plaatsen waar btw‑activiteiten worden verricht of redelijkerwijze vermoed worden.
Een controle ter plaatse in het kantoor, bijkantoor of zelfs de woning van een advocaat is dus perfect mogelijk, voor zover daar een economische activiteit wordt uitgeoefend of de btw-administratie vermoedt dat dit het geval is. Het beroepsgeheim verhindert dit niet: het beperkt enkel wat er tijdens de controle mag worden ingezien, niet waar de controle mag plaatsvinden.
Heeft de btw-controleur vrije toegang tot mijn kantoor?
De btw‑controleur heeft het recht om toegang te krijgen tot het advocatenkantoor om verschillende controletaken uit te voeren. Dit omvat het onderzoeken van boeken en documenten die zich ter plaatse bevinden, het verifiëren van de betrouwbaarheid van geïnformatiseerde gegevens met behulp van de aanwezige apparatuur en met de bijstand van de belastingplichtige, en het vaststellen van de aard en omvang van de uitgeoefende activiteit, het ingezette personeel en de aanwezige goederen, met inbegrip van productie‑ en vervoermiddelen.
Op basis hiervan mag de controleur toegang vragen tot het kantoor van de advocaat om bijvoorbeeld na te gaan of investeringsgoederen al dan niet beroepsmatig worden gebruikt, of – wanneer er een bijkantoor is – te controleren of daar daadwerkelijk btw‑activiteiten plaatsvinden.
Om het beroepsgeheim te beschermen werd door de minister van Financiën reeds aanvaard dat fiscale ambtenaren geen toegang hebben tot het kantoor van een beroepsbeoefenaar die aan het beroepsgeheim is gebonden, zolang die er zijn beroep uitoefent in aanwezigheid van cliënten. In dergelijke omstandigheden kan immers niet worden uitgesloten dat de controleurs in contact komen met vertrouwelijke informatie of met cliënten zelf, wat strijdig is met de geheimhoudingsplicht.
Vanuit datzelfde uitgangspunt kan geargumenteerd worden dat de advocaat niet verplicht is een btw‑controleur toegang te geven tot zijn kantoor op een moment dat hij spreekuur heeft of cliënten ontvangt. Wanneer er op het moment van een onaangekondigde controle geen cliënten aanwezig zijn, bestaat er in principe geen grond om de toegang te weigeren. Hoewel dit principe nog niet expliciet is bevestigd voor btw‑controles, kan dezelfde redenering wel worden ingeroepen. In geval van twijfel is het, zoals aanbevolen in de tuchtpraktijk en de deontologie, raadzaam de Stafhouder te contacteren, zodat met zekerheid wordt gehandeld binnen de grenzen van het beroepsgeheim en de fiscale verplichtingen.
Heeft de btw-controleur ook vrije toegang tot mijn woning?
Wanneer er in een woning of een ander bewoond lokaal een economische activiteit wordt uitgeoefend – of wanneer de btw-administratie redelijkerwijze vermoedt dat dit het geval is – hebben btw‑controleambtenaren het recht om deze plaatsen te betreden. Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneer een advocaat btw in aftrek brengt voor ruimtes in een privéwoning, zoals de inrichting van een thuisbureau, schilderwerken, kantoormeubilair of een computer. Indien dergelijke aanwijzingen ontbreken, kan de toegang worden geweigerd, tenzij de controleur over een machtiging van de politierechter beschikt.
Voor particuliere woningen en bewoonde lokalen gelden bovendien strengere voorwaarden. De fiscale ambtenaren mogen dergelijke plaatsen enkel betreden tussen 5.00 uur en 21.00 uur én slechts mits voorafgaande machtiging van de politierechter. Wanneer de btw-administratie zo’n machtiging aanvraagt, moet zij in het verzoek gemotiveerd aangeven waarom toegang tot de privéwoning noodzakelijk wordt geacht.
Binnen deze grenzen kunnen btw‑controleurs bijvoorbeeld nagaan hoe de verhouding tussen het privé‑ en beroepsgedeelte van een woning is georganiseerd. In dergelijke gevallen onderzoekt de btw-administratie immers de aard en de omvang van de beroepsactiviteit die in de woning wordt uitgeoefend, zodat de visitatie binnen het toepassingsgebied van artikel 63 van het Btw‑Wetboek valt.
Kan de btw-administratie een onderzoek doen met het oog op het belasten van cliënten?
De onderzoeksbevoegdheden van de fiscus op grond van de artikelen 60 tot en met 63 Wbtw mogen uitsluitend worden ingezet met het oog op het bepalen van het correcte bedrag van de door de belastingplichtige verschuldigde belasting, in dit geval dus de advocaat zelf. De gegevens die de ambtenaren daarbij rechtmatig verkrijgen, kunnen zij weliswaar aanwenden om derden, zoals cliënten, te belasten, maar enkel op voorwaarde dat de onderzoeksdaden initieel daadwerkelijk waren gericht op het onderzoeken van de fiscale situatie van de belastingplichtige. Onderzoeken die uitsluitend of hoofdzakelijk bedoeld zijn om informatie over cliënten te verzamelen, zijn verboden. Dergelijke zogenaamde ‘fishing expeditions’, waarbij men bij een advocaat gaat zoeken in de hoop toevallig belastende gegevens over cliënten aan te treffen, zijn wettelijk niet toegelaten.
Kan ik de btw-controleur verplichten om de tussenkomst van de tuchtoverheid in te roepen van zodra ik mij in het geval van een fiscale controle beroep op mijn beroepsgeheim?
Inzake inkomstenbelastingen kunnen personen die gebonden zijn door het beroepsgeheim, een beroep doen op de bijzondere procedure van artikel 334 WIB92 dat bepaalt: ‘Wanneer een krachtens de artikelen 315, eerste en tweede lid, 315bis, eerste tot derde lid, 316 en 322 tot 324 aangezochte persoon het beroepsgeheim doet gelden, verzoekt de administratie om tussenkomst van de territoriaal bevoegde tuchtoverheid opdat deze zou oordelen of, en gebeurlijk in welke mate, de vraag om inlichtingen of de overlegging van boeken en bescheiden verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim’. De geraadpleegde tuchtoverheid (in de praktijk, de bevoegde Stafhouder) heeft dan de taak om uitspraak te doen over de vraag of diegene die zich op het beroepsgeheim beroept, dat al dan niet terecht doet. Inzake directe belastingen wordt ook aanvaard dat de fiscus, ingeval de regeling van artikel 334 WIB92 wordt gevolgd, door het oordeel van de tuchtoverheid gebonden is.
Op dit moment bestaat inzake btw geen soortgelijke bepaling als artikel 334 WIB92. Het Wbtw bevat geen bepaling die de tuchtoverheid machtigt om de grenzen van de plicht tot geheimhouding af te lijnen. Deze regel wordt wel in het vooruitzicht gesteld.
Wanneer tijdens een controle of discussie vragen rijzen over cliëntgebonden informatie, is het essentieel dat de advocaat zich duidelijk en uitdrukkelijk beroept op het beroepsgeheim voor alle stukken en vragen die dergelijke gegevens betreffen. Hij beperkt zich tot het voorleggen van uitsluitend die documenten waartoe hij wettelijk verplicht is voor fiscale doeleinden, zoals facturen, dagboeken en boekhoudstukken, zonder bijkomende dossierinformatie vrij te geven.
Indien een controleur desondanks druk uitoefent om vertrouwelijke gegevens te verstrekken, dient onmiddellijk contact te worden opgenomen met de stafhouder om dit te melden en verdere richtlijnen te bekomen. Zo nodig wordt formeel genoteerd dat de advocaat weigert informatie te verstrekken op grond van artikel 458 van het Strafwetboek. De fiscus beschikt niet over de bevoegdheid om deze weigering te sanctioneren en kan de advocaat evenmin dwingen afstand te doen van het beroepsgeheim. In voorkomend geval is het aan de rechter om te oordelen of, en in welke mate, het beroepsgeheim de belastingplichtige verhindert gevolg te geven aan het verzoek van de btw‑administratie.
9. Vrijstellingen en bijzondere regimes
Bestaat er een btw-vrijstelling voor onderwijs?
Advocaten die onderwijsactiviteiten verrichten, kunnen in bepaalde gevallen genieten van een vrijstelling van btw op grond van artikel 44, § 2, 4° Wbtw. Het hier bedoelde lesgeven omvat zowel beroepsopleidingen en bijscholing als het klassieke dag‑ of avondonderwijs. Er moet evenwel een onderscheid worden gemaakt naargelang de aard van de instelling waarbij de advocaat lesgeeft.
Ten eerste geldt een vrijstelling wanneer advocaten opleidingen verzorgen voor collega‑advocaten in het kader van initiatieven georganiseerd door publiekrechtelijke instellingen, zoals de Orde van Vlaamse Balies of de lokale balies.
Ten tweede vallen advocaten die lesgeven binnen een onderwijsinstelling onder een statuut van ondergeschiktheid, zodat hun prestaties niet binnen het toepassingsgebied van de btw vallen.
Ten derde zijn advocaten die les verstrekken aan andere organisaties, waaronder commerciële seminarie‑aanbieders, in principe wel aan btw onderworpen. De btw-administratie hanteert echter een tolerantie op grond waarvan dergelijke prestaties toch als verricht in ondergeschikt verband worden beschouwd, zodat geen btw moet worden aangerekend. Bij toepassing van deze tolerantie moet de advocaat er evenwel rekening mee houden dat hierdoor een gemengd btw‑statuut kan ontstaan, met een mogelijke beperking van het recht op aftrek van voorbelasting.
Deze vrijstelling is niet van toepassing wanneer de prestaties via een vennootschap worden verricht.
Bestaat er een btw-vrijstelling voor voordrachtgevers?
De diensten aan organisatoren van voordrachten, verstrekt door voordrachtgevers, zijn vrijgesteld van btw op grond van artikel 44, § 2, 8° Wbtw. Voor deze vrijstelling is dus vereist dat de dienst wordt verricht voor een organisator, die dan de link vormt tussen het publiek en de voordrachtgever.
Geldt er een btw-vrijstelling voor de diensten van een advocaat als schuldbemiddelaar, familiaal bemiddelaar, voorlopig bewindvoerder en voogd?
Op grond van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 25 april 2013 worden de diensten van een advocaat die optreedt als schuldbemiddelaar vrijgesteld van btw. Hoewel dit arrest formeel betrekking had op deurwaarders, bevat het expliciete verwijzingen die mutatis mutandis ook gelden voor advocaten. De vrijstelling is gestoeld op artikel 44, § 2, 2° WBTW, dat een btw‑vrijstelling voorziet voor diensten die nauw samenhangen met maatschappelijk werk verricht door publiekrechtelijke lichamen of door instellingen erkend door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard.
Uit de analyse van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie leidt het Grondwettelijk Hof af dat deurwaarders - en bij uitbreiding advocaten - voor hun activiteiten als schuldbemiddelaar geacht worden instellingen van sociale aard te zijn, wat door de btw-administratie inmiddels eveneens werd bevestigd.
Deze redenering geldt op gelijkaardige wijze voor andere gerechtelijke mandaten zoals voogdij, voorlopig bewind of vergelijkbare functies die door een rechter worden toegewezen. Ook diensten verricht in het kader van de permanentie geesteszieken kunnen onder de btw‑vrijstelling vallen, voor zover de advocaat hiertoe werd aangesteld door de vrederechter. In al deze gevallen oefent de advocaat een gerechtelijk mandaat uit, toegewezen door de arbeidsrechter wat betreft schuldbemiddeling of door de vrederechter voor de overige mandaten. Daarnaast zijn de diensten van advocaten als bemiddelaar in familiezaken vrijgesteld krachtens artikel 44, § 2, 5° WBTW, dat geen erkennings‑ of aanstellingsvereiste oplegt en waarvan de toepassing afhankelijk is van de aard van de verrichte diensten. Dit betekent dat in eenzelfde dossier een per definitie partijdige advocaat nooit tegelijkertijd kan optreden als onafhankelijk bemiddelaar. Hij treedt ofwel op als advocaat, ofwel als bemiddelaar. Daarentegen bestaat er geen btw‑vrijstelling voor juridische diensten die advocaten verlenen aan personen met een handicap in het kader van geschillen betreffende tegemoetkomingen of medische onderzoeken, noch voor geschillen die voortvloeien uit de sociale reclassering van mindervaliden. De btw-administratie heeft bovendien verduidelijkt dat de btw‑vrijstelling voor advocaat‑bemiddelaars in familiale zaken niet van toepassing is op bemiddeling in de context van familiale vennootschappen, zoals bij opvolging of overname van de onderneming of bij conflicten tussen vennoten, al dan niet binnen patrimoniumvennootschappen. Dergelijke bemiddeling valt immers niet onder gezinsvoorlichting en komt daarom niet in aanmerking voor de vrijstelling.
Is het uitoefenen van mandaten door advocaten belastbaar met btw?
Wanneer een advocaat optreedt als bestuurder of vereffenaar van een vennootschap, handelt die als orgaan van de rechtspersoon en derhalve in een verhouding van ondergeschiktheid. Voor dergelijke mandaten wordt de advocaat niet als zelfstandige beschouwd, zodat de prestaties in beginsel buiten het toepassingsgebied van de btw vallen, behoudens de mogelijkheid vrijwillig voor belastingplicht te opteren.
Wanneer een advocaat als natuurlijke persoon een mandaat uitoefent binnen een administratief rechtscollege, tuchtraad, de Orde van Advocaten of enig ander orgaan van een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon, wordt eveneens aangenomen dat deze in een band van ondergeschiktheid handelt. De vergoedingen die in dat kader worden ontvangen, vallen bijgevolg eveneens buiten de btw. Treedt de advocaat daarentegen op via een rechtspersoon, bestaat er niet langer een administratieve tolerantie die toelaat te kiezen of de ontvangen vergoedingen al dan niet aan btw worden onderworpen. In dat geval geldt het gewone btw‑regime: de rechtspersoon wordt geacht een zelfstandige dienst te verrichten en is btw verschuldigd op de ontvangen vergoedingen, behoudens toepassing van een uitdrukkelijke wettelijke vrijstelling.
Vergoedingen die worden toegekend voor rechterlijke ambten worden evenmin aan de btw onderworpen, aangezien rechters niet als zelfstandigen worden beschouwd.
Deze regeling is echter niet van toepassing op curatoren of op mandaten betreffende onbeheerde nalatenschappen: zij worden niet aangemerkt als organen van een rechtspersoon en zijn dus btw‑plichtig, ongeacht of zij optreden als natuurlijke persoon of als rechtspersoon.
Ten slotte leidt de toepassing van een vrijstelling ertoe dat de advocaat als gemengd belastingplichtige wordt aangemerkt, wat gevolgen kan hebben voor het recht op aftrek van voorbelasting.
Geldt er een btw-vrijstelling indien ik in tweedelijnsbijstand een vluchteling uit een niet-EU-land bijsta?
Wanneer een advocaat een vluchteling uit een niet‑EU‑land bijstaat in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand, is het btw‑nultarief van toepassing. De nationaliteit of herkomst van de rechtzoekende speelt daarbij geen enkele rol. De advocaat rekent 0% btw aan, maar behoudt wel volledig het recht op aftrek van de voorbelasting, aangezien de prestaties worden beschouwd als aan btw onderworpen tegen het nultarief.
Geldt er een btw-vrijstelling indien ik een gedetineerde bijsta die al dan niet Belgisch rijksinwoner was vooraleer hij gedetineerd werd?
Wanneer een advocaat een gedetineerde bijstaat in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand, is het btw‑nultarief van toepassing. De nationaliteit of het vroegere rijksinwonerschap van de rechtzoekende speelt daarbij geen enkele rol.
Buiten het stelsel van de tweedelijnsbijstand geldt het gewone btw‑tarief van 21% voor prestaties verleend aan gedetineerden.
Bestaat er een bijzondere regime voor de curator?
Wanneer een advocaat optreedt als curator van een failliete vennootschap, moeten het ereloon en de kosten worden gefactureerd aan de failliete vennootschap zelf. Indien de gefailleerde vennootschap onderworpen was aan de periodieke btw‑aangifteplicht, kan - in afwijking van de algemene regels - voor de slotfactuur die vlak vóór de afsluiting van het faillissement wordt uitgereikt, de regeling van verlegging van heffing worden toegepast. In dat geval wordt gefactureerd zonder btw, met de vermelding ‘Belasting te voldoen door de medecontractant – Circulaire AAFisc nr. 47/2013’. De FOD Financiën heeft bevestigd dat deze regeling ook van toepassing kan zijn op tussentijdse ereloonstaten van een curator die worden opgemaakt naar aanleiding van de verkoop van een onroerend goed uit de failliete boedel. Deze uitzondering kan evenwel niet worden toegepast ten opzichte van natuurlijke personen die niet btw‑plichtig waren.
De regeling van verlegging van heffing geldt eveneens wanneer de curator een pro deo‑vergoeding ontvangt voor de door hem verrichte prestaties. Ook in dat geval moet aan de gefailleerde worden gefactureerd volgens dezelfde werkwijze waarin geen btw wordt aangerekend maar wordt verlegd.
De toepassing van deze verleggingsregeling is slechts mogelijk indien het btw‑nummer van de gefailleerde nog niet werd afgesloten. De btw-administratie preciseert uitdrukkelijk dat een btw‑nummer in principe niet mag worden afgesloten vóór de aanrekening van het curatorsereloon. Indien dit toch ten onrechte gebeurde, kan het btw‑nummer uitzonderlijk worden heropend of moet worden gefactureerd met btw, waarna de gefailleerde een teruggaafverzoek kan indienen.
Wanneer een advocaat‑curator als werkend vennoot zijn volledige activiteit heeft ingebracht in een associatie of vennootschap met rechtspersoonlijkheid, kan het curatorsereloon overeenkomstig dezelfde principes door die associatie of vennootschap worden gefactureerd.
Wat de aftrekbaarheid van de btw op het curatorsereloon betreft, volgen de kosten in beginsel het btw-regime van de failliete onderneming. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie blijven kosten die verband houden met de vereffening of beëindiging van een economische activiteit deel uitmaken van die economische activiteit. Indien de onderneming vóór het faillissement recht had op volledige of gedeeltelijke aftrek van btw, kan dat aftrekrecht in beginsel behouden blijven voor de vereffeningskosten, waaronder het ereloon van de curator (Hof van Justitie, I/S Fini H, C-32/03, van 3 maart 2005).
Voor kosten die rechtstreeks verband houden met de verkoop van een onroerend goed (zoals schattingskosten, commissielonen, EPC-attesten, bodemattesten en gelijkaardige kosten) geldt de gewone btw-regeling voor onroerende transacties. Wanneer het onroerend goed wordt verkocht met toepassing van btw, zal de btw op deze kosten in principe aftrekbaar zijn. Wanneer de verkoop daarentegen plaatsvindt onder het stelsel van de registratierechten, bestaat in principe geen recht op aftrek van de btw op deze verkoopkosten.
Hoe werkt e-facturatie via Peppol in geval van faillissement? Moet de curator een aansluiting regelen als de onderneming nog niet aangesloten was, en wat als er geen actief is om dat te doen?
Voor gefailleerde btw‑plichtigen bestaat er geen verplichting om gestructureerde elektronische facturen te verzenden voor de activiteit waarvoor zij failliet zijn verklaard. Zij moeten dergelijke facturen wel kunnen ontvangen. Indien de gefailleerde onderneming niet over een Peppol‑account beschikt, stelt de btw-administratie voor gebruik te maken van een gratis tool om deze facturen te ontvangen, waarvoor verschillende oplossingen op de markt beschikbaar zijn. Ondernemingen die vóór het faillissement niet waren aangesloten, hoeven daarom niet noodzakelijk alsnog door de curator op Peppol te worden aangesloten.
Bestaat er een bijzonder regime voor de vereffenaar?
Wanneer een advocaat optreedt als natuurlijke persoon in de hoedanigheid van vereffenaar, wordt die geacht te handelen in een verhouding van ondergeschiktheid ten aanzien van de vennootschap die wordt vereffend. De door de vereffenaar verrichte handelingen vallen in dat geval buiten het toepassingsgebied van de btw, zodat geen btw mag worden aangerekend en zelfs geen factuur moet worden uitgereikt voor de uitoefening van het statutaire mandaat.
Indien de advocaat zijn volledige beroepsactiviteit heeft ingebracht als werkend vennoot in een associatie of vennootschap met rechtspersoonlijkheid, kunnen de prestaties die worden verricht in het kader van het vereffenaarsmandaat door deze associatie of vennootschap worden gefactureerd. In dat geval is btw verschuldigd tegen het tarief van 21%, aangezien rechtspersonen bij de uitoefening van dergelijke mandaten niet worden geacht te handelen in een band van ondergeschiktheid. Het vroegere keuzestelsel voor rechtspersonen die optraden als vereffenaar om hun prestaties al dan niet aan btw te onderwerpen, wordt - ingevolge Europese bezwaren - niet langer als verenigbaar met de btw‑regels beschouwd, zodat op deze prestaties uitsluitend de gewone btw‑regels van toepassing zijn.
Wanneer een vereffeningsmandaat wordt uitgeoefend via een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een maatschap, moeten de prestaties zonder btw worden gefactureerd, voor zover de werkende vennoot uitsluitend optreedt binnen de administratieve tolerantie en niet afzonderlijk btw geïdentificeerd is. Indien de werkend vennoot zich in deze context evenwel persoonlijk heeft laten registreren voor btw‑doeleinden, worden alle door hem verrichte handelingen -dus ook die binnen de maatschap - geacht aan btw onderworpen te zijn. In dat geval is de vergoeding van de werkend vennoot btw‑plichtig, waarbij de door de maatschap gedragen btw slechts aftrekbaar is in verhouding tot de aan btw onderworpen handelingen en niet aftrekbaar blijft voor zover zij verband houdt met de vrijgestelde prestaties van de vereffenaar.
Wat is de facultatieve bijzondere regeling voor advocaat-stagiairs en advocaat-medewerkers?
De facultatieve bijzondere btw-regeling is een vereenvoudigde btw-regeling voor advocaat-medewerkers en advocaat-stagiairs die uitsluitend btw-plichtige diensten verrichten voor het advocatenkantoor waarvoor zij werken.
Wie voor deze regeling kiest, blijft btw-belastingplichtig maar geniet van beperkte btw-formaliteiten. Advocaat‑stagiairs en advocaat‑medewerkers zijn in principe gewone btw‑belastingplichtigen. Zij kunnen evenwel opteren voor een facultatieve bijzondere regeling die specifiek voor hen is uitgewerkt. De toepassing van deze regeling brengt met zich dat zij zijn vrijgesteld van de verplichting om periodieke maand‑ of kwartaalaangiften in te dienen. De btw die verschuldigd is op de diensten die zij verrichten ten behoeve van het advocatenkantoor waarvoor zij werkzaam zijn, wordt immers via de verleggingsregeling voldaan door de afnemer, zijnde het advocatenkantoor, dat in hun naam en voor hun rekening factureert via self‑billing.
Naast hun prestaties voor het advocatenkantoor kunnen advocaat‑stagiairs en advocaat‑medewerkers ook bijkomende diensten verrichten voor derden. Wanneer de op die bijkomende diensten verschuldigde btw niet meer bedraagt dan 5.250 euro - wat overeenkomt met een jaaromzet van 25.000 euro, exclusief btw aan het tarief van 21 % - kunnen zij de bijzondere regeling behouden. In dat geval blijven zij wel zelf btw verschuldigd, die moet worden aangegeven via een bijzondere btw‑aangifte.
Hoewel deze regeling gepaard gaat met een beperking van de administratieve verplichtingen, moeten advocaat‑stagiairs en advocaat‑medewerkers die ervoor opteren zich wel registreren voor btw‑doeleinden en jaarlijks een opgave indienen van btw‑belastingplichtige afnemers. De toepassing van de regeling heeft bovendien tot gevolg dat zij geen recht hebben op aftrek van btw op hun inkomende kosten.
Zij zijn ook verplicht zich aan te melden op Peppol. Voor hen gelden dezelfde verplichtingen als voor alle btw‑plichtigen: zij moeten e‑facturen kunnen ontvangen en uitreiken voor handelingen die onder de facturatieplicht vallen. Self‑billing via Peppol is mogelijk doordat het advocatenkantoor de uitgaande facturatie op zich kan nemen terwijl de stagiair enkel facturen moet kunnen ontvangen. Er gelden daarbij geen bijzondere sancties, maar wel de algemene sanctieregels.
Wat is de franchiseregeling voor kleine ondernemingen?
De franchiseregeling is een btw‑vrijstellingsstelsel voor kleine ondernemingen waarvan de jaaromzet in België tijdens het voorgaande kalenderjaar de drempel van 25.000 euro niet heeft overschreden. Sinds 1 januari 2025 kan een Belgisch advocatenkantoor deze btw‑vrijstellingsregeling bovendien ook toepassen in andere lidstaten van de Europese Unie, met inachtneming van de nationale omzetdrempels en de Europese drempel van 100.000 euro, waarvan maximaal 25.000 euro in België mag worden gerealiseerd. Wanneer een onderneming haar activiteit start in de loop van het kalenderjaar, wordt de omzetdrempel van 25.000 euro geprorateerd in functie van het aantal kalenderdagen waarin de activiteit wordt uitgeoefend. Daarenboven moeten ondernemingen die van deze regeling gebruik willen maken, hun keuze voorafgaandelijk meedelen aan de btw‑administratie (en dus niet enkel bij de start van de activiteit).
De toepassing van de franchiseregeling houdt in dat geen btw wordt aangerekend aan de klanten en dat bijgevolg geen periodieke btw‑aangiften moeten worden ingediend. Daartegenover staat dat geen recht bestaat op aftrek van btw geheven op inkomende kosten.
Het betreft derhalve een administratief bijzonder eenvoudige regeling, zij het met een belangrijke beperking, namelijk het ontbreken van enig aftrekrecht. Advocaten die de btw op beroepskosten, zoals kosten voor lokalen, ICT, databanken, voertuigen of verzekeringen, wensen te recupereren, zullen om die reden doorgaans niet opteren voor deze vrijstellingsregeling.
Advocaat‑stagiairs en advocaat‑medewerkers die een beroep doen op de facultatieve bijzondere regeling kunnen bovendien geen gebruik maken van de franchiseregeling voor hun bijkomende prestaties ten aanzien van derden.